Lofzangen op de roes, treurzangen op de kater

Schrijver Hafid Bouazza heeft een schatkist gepresenteerd, boordevol Arabische poëzie in eigen vertaling, en borrelend van curieuze invallen, associaties en vooral woordvondsten

Niets dan zonde. Liefde Lyriek & Liederlijkheid. Gekozen en vertaald door Hafid Bouazza. Prometheus. 340 blz. € 39,95.

Het is een oud gegeven – misschien wel net zo oud als de mensheid zelf. De man klopt op de poort, maar de vrouw wil hem niet zomaar binnen laten. Hoe nu verder? Daar zijn veel liederen over gezongen. Ook al in de oude Arabische poëzie. Daar is het een tentdoek dat vooralsnog gesloten blijft. ‘Zij zei: – Voorwaar nee! Onze tent sluip je niet binnen / want onze vader is een jaloerse man.’

Zo begint een gedicht van Waddah al-Yamman, gestorven in 712, in de vertaling van Hafiz Bouazza. Er ontspint zich een klassiek vraag-en-antwoordspel tussen afwerende vrouw en aandringende man. Hij is niet van plan zich door de vader te laten afschrikken. ‘Ik wacht een onoplettendheid / van hem af en mijn zwaard is scherp en snijdend.’

Dan werpt het meisje een nieuw obstakel op: ‘De zee ligt tussen ons in.’ Maar ook dat probleem wordt meteen van tafel geveegd: ‘Ik ben een vaardige zwemmer.’ De grote broers van het meisje worden vervolgens ook weggewuifd. Dan komt ze met een leeuw: ‘Een prooibeddende leeuw rust tussen ons.’ Ik weet niet wat ‘prooibedden’ is, maar hij is er niet van onder de indruk, en slaat onmiddellijk terug: ‘Ik ben een afslachtende liebaard.’ Dan neemt het meisje haar toevlucht tot het hoogste gezag: ‘God ziet op ons neer.’ Maar de man laat zich niet uit het veld slaan: ‘Mijn god is erbarmend vergevingsvol.’

Daarmee zijn alle argumenten van het meisje blijkbaar weerlegd. ‘Je hebt ons uitgeput met redenen’ – en ze geeft hem toestemming om te komen, opnieuw in bijzondere bewoordingen: ‘Dus kom als de huikefaak inslaapt.’ De huikefaak? Het was even zoeken, maar in het Woordenboek der Nederlandsche Taal vond ik hem: een huikefaak is iemand die gaarne bij het vuur hurkt en niets uitvoert. Als die nietsnut weer eens een keer in slaap is gedommeld, kan de man komen. En dan? ‘En val op ons neer de val van de dauw / op een nacht zonder verboden noch verjaagd te worden.’ Ik begrijp dat niet helemaal, maar dat past goed bij het geheimzinnige gedoe. De bedoeling is wel duidelijk: als die slome bewaker is ingedommeld, zal er een mooie nacht volgen.

De structuur van het lied komt ons bekend voor. Het stamt uit Arabië, uit de 7de eeuw, maar het zou ook uit de Europese middeleeuwen kunnen stammen. Het is een van de vele honderden gedichten die Hafid Bouazza heeft verzameld in zijn nieuwe boek Niets dan zonde. Het is het vierde deel in zijn Arabische Bibliotheek. De gedichten zijn allemaal uit de 6de tot en met de 14de eeuw. Ze gaan vaak over hoofse liefde, in een decor van woestijn, tenten, reisgezelschappen, sterrehemels, kamelen, granaatappels en lederen wijnzakken.

Dabbelgetred

Er zit prachtige natuurlyriek bij. Tussen alle vervoering waar Bouazza zo goed in is (‘van een zwarte wolk regenvrachtig rossigbevlekt dabbelgetred’) bevinden zich soms opeens ook lichte en speelse regels, in een veel eenvoudiger idioom. In een kort gedicht zien we een dichter kijken naar een beek. De beek is verliefd op de takken, volgens hem. En waarom? ‘Want altoos beeldt hij hun gestalten in zijn hart uit.’ Het is een bijna kinderlijke gedachte. Nog kinderlijker: de wind, die ook een oogje op de takken heeft, is jaloers op de beek. Hij komt, in de vorm van een briesje, naar de beek toe en verstoort zo het beeld van de takken. Als je goed luistert kun je in het ‘gelispel’ van de wind horen hoe hij de beek ‘berispt’ – en hij voorziet diens gezicht meteen van ontsierende rimpels. Het lijkt Emily Dickinson wel.

Behalve veel liefde en lyriek bevat deze bloemlezing ook, zie de ondertitel, veel liederlijkheid. Dit deel zou, in de woorden van de samensteller, ‘beschouwd kunnen worden als een afsluiting van mijn onderzoek naar en vertaling van de seksuele poëzie van Arabische klassieke dichters’. Tussen de maansikkels en de lispelende beekjes door gaat het hier vaak over allerlei standjes. Dat gaat soms heel dichterlijk, met oude woorden en woorden van eigen makelij (‘deze vollebil weligdij’), en met aardige vergelijkingen (‘polostok’), maar ook heel vaak rechttoe rechtaan: pik, kut, reet, neuken. Of allebei: ‘Ik heb een beuzem die van drek houdt / [...] een krochtkraker die het gaatje neukt.’ Onder de liederlijkheid uit de ondertitel moet ook de losbandigheid ten gevolge van drank worden verstaan: lofzangen op de roes, treurzangen op de kater, en wat daartussen ligt. Dit alles staat hier dwars door elkaar: niet geordend naar genre of dichter of alfabet of chronologie. Bouazza heeft een korte inleiding toegevoegd, maar daarin legt hij niet veel uit. In zijn proza is hij al net zo grillig en springerig als in zijn vertalingen. Niets dan zonde is dus een boek dat je overal kan openslaan.

De grote charme van Bouazza is niet systematiek, maar inval en uitweiding. Als het hem uitkomt voegt hij in zijn bloemlezing gewoon een paar bladzijden in waarin hij voor eens en altijd een belangrijke kwestie de wereld uit zal helpen: of het in een bepaald kwatrijn van Ibn al- Mu'tazz nu om witte of om rode wijn gaat. Moet hij bij een Arabisch impotentiegedicht aan een vergelijkbaar gedicht van Menno Wigman denken, dan citeert hij dat meteen. Zo komen hier ook Jim Morrison, Sappho, Karel van de Woestijne en de Carmina Burana voorbij.

Na lezing van dit boek weten we alles over de godemiché (de dildo) en het recept voor witte suikerpudding. Al even enthousiast ben ik over de 460 voetnoten, waarin altijd wel iets interessants is te vinden. Bouazza speelt daar graag de rol van hyperprecieze vertaler, maar hij gebruikt zijn voetnoten vaak ook voor eigenwijze polemische uitweidingen – over zijn critici, de islam of de cosmetica-industrie.

Gestruweelte

Voor wie, zoals ik, van rare woorden houdt, en van eigenzinnig exotisch taalgebruik, valt hier op elke bladzijde veel te beleven. Bouazza heeft een voorkeur voor in onbruik geraakte woorden en hij maakt graag nieuwe verbindingen. Ik noem het gestruweelte, de takscheen, de mamser, een knapelin, roeflokken, vertugadijn, blianten en de bobijn (van een ezel). Van recenter datum is hompiekurken – een van de vele benamingen voor de oudste beweging van de mens. Ik weet ook wel dat de zinnen die Bouazza met al die vreemde woorden maakt, niet altijd even gemakkelijk zijn. ‘O menig is de heldere dag die ik vergoudde / met een rankeling rilde van leest en lustig blakend.’ Het klinkt goed, maar ik weet niet precies wat er staat. Net Gorter, denk je dan. Maar ik moet ook toegeven dat ik er na een paar bladzijden wel weer even genoeg van had. Benatdauwen, ontsmuilen, verheilen.

Het is, bij alle zangerigheid, ook wel wat gemakzuchtig en slordig allemaal. Ik kwam één gedicht twee keer tegen, in twee versies. Dat leek mij niet de bedoeling. Wel een mooi gedicht trouwens, van Ibn Lankak al-Basri. Misschien is dat wel een goed beeld voor dit boek: een veel te volle schatkist. Je moet er af en toe in rommelen. Meestal vind je dan wel iets bijzonders. In een gedicht van 'Addiyy ibn ar-Riqa, gestorven in 714, loopt een hertenmoeder rond, met haar jong naast haar. Ach. Wat draagt Bambi op haar hoofd? Heel kleine hoorntjes nog, met een zwart stipje erop. Zo'n hoorntje lijkt wel een pen, ‘een rietpen die in een pot wat van zijn inkt trof.’

    • Guus Middag