Kat zonder handschoenen

Het was in de namiddag, de zon scheen nog overtuigend genoeg om het op een jurk en blote benen te wagen en ik wandelde met een vriend door de stad. In een drukke straat stonden aan weerskanten mensen voor cafés met sigaretten en drankjes in hun handen. De vriend en ik baanden ons een weg erdoorheen, en even verderop zag ik een nogal verdwaald uitziende man staan wankelen met een straalbezopen grijns op zijn gezicht, een koptelefoon op zijn hoofd en een groot glas bier in zijn hand. Op het moment dat ik hem wilde passeren, stak hij zijn hand uit en greep tussen mijn benen. Het was een ruw gebaar, zo vol schaamteloze overtuiging uitgevoerd dat ik compleet verbijsterd was. In een verwarde seconde keek ik naar de man, die mijn blik grijnzend beantwoordde, en liep door. Ongelovig en op luide toon riep ik vervolgens tegen de vriend: „Die man daar, die greep gewoon in mijn kut!” Ik zei het expres zo grof om mezelf stoerder te maken, om het weg te lachen: dit is nu eenmaal de grote stad, dacht ik, ik moet niet kinderachtig gaan doen als er eens iets vervelends gebeurt. De vriend was net zo vertwijfeld als ik: „Ik heb weleens gezien dat een man aan de borsten van een meisje voelde, waarop ze hem meteen een klap in zijn gezicht gaf. Maar om nu terug te lopen en een klap te geven?” We liepen door. En terwijl we verder liepen, moest ik steeds denken aan mijn reactie. Ik had niks gedaan. Ik had hem niet geslagen, ik had hem niet geduwd, ik had niet gegild, ik had geen goedgemikt knietje gegeven, ik had hem niet in zijn dronken maag gestompt of zijn grijnzende gezicht opengekrabd. Ik had het gewoon laten gebeuren. Iemand mag dus blijkbaar gewoon aan mij zitten zonder dat ik daar consequenties aan verbind. Ik ben een kat om zonder handschoenen aan te pakken. Ik verdedig mijn grenzen niet. En ik was boos: op mezelf.

Waar ik al helemaal niet meer over nadacht, was die man. De man vormde het soort natuurgeweld waarvan ik vond dat ik daar maar rekening mee diende te houden, zoals bliksemschichten en brandnetels: dat kan je overkomen, en daarom is het aan jou om je kuiten te bedekken, en niet tijdens het onweer door een weiland te banjeren met een aluminium hoedje op je hoofd. Het voelde alsof ik had gefaald.

Natuurlijk is zelfredzaamheid belangrijk: om voor jezelf op te komen, je veilig te voelen en je grenzen aan te geven – we leven niet in een Bob Ross-schilderij vol onschuldige eekhoorns en blije kleine bomen. Maar toch schrok ik van mijn eigen schuldgevoel: waarom vond ik mijn reactie zoveel belangrijker dan het gebeurde zelf? Waarom had ik het gevoel dat als ik er niks tegen doe, ik er ook niks van mag vinden? Alsof het een krachtmeting was, en ik – met mijn gebrek aan kooivechtvaardigheden – domweg verloren had. Terwijl mijn reactie helemaal geen onderdeel was van wat er gebeurde, maar slechts de reactie daarop – en die hoeft niet beoordeeld te worden, die is nu eenmaal zoals ie is. Mijn boosheid had zich moeten richten op die man – niet op mezelf.

    • Renske de Greef