Inhoud telt, niet het poppetje

Het valt wel mee met die popularisering van politici op tv, meent onderzoeker Rosa van Santen. Wie wil, vindt genoeg inhoud en diepgang.

Een opmerkelijke conclusie: bezorgdheid over „popularisering en personalisering” van de politieke televisiejournalistiek is onterecht. Dat schrijft politicoloog Rosa van Santen die woensdag promoveerde op haar onderzoek A Historical and Cultural Analysis of Dutch Political Television Journalism, 1956-2006.

Opmerkelijk, omdat er door zowel politici als journalisten geregeld wordt geklaagd over vervlakking en infantilisering van politiek op televisie en de neiging van journalisten om voyeuristisch geroddel rond politici relevant te maken. Dan worden voorbeelden gebruikt als Rutger Castricum bij PowNews, die nog wel eens wil vragen naar het seksleven van een volksvertegenwoordiger, of De Wereld Draait Door, waar politici tijdens de verkiezingscampagne van 2010 zingend werden aangetroffen.

Bij klachten hierover horen ook de zorgen over de schadelijke effecten voor de democratie. Want zonder goed publiek debat kunnen burgers niet goed bepalen aan wie zij hun stem verlenen. Het valt allemaal wel mee, is de voorzichtige conclusie van Van Santen. Wie wil, kan op tv meer dan genoeg inhoudelijke informatie vinden over politiek. De vraag is eerder of mensen in het overweldigende aanbod nog wel hun weg vinden.

De onderzoeker ging terug naar 1957 en bekeek hoeveel uren er aan politieke journalistiek werd besteed. Wat bleek? Omroepen, ook de commerciële, besteden relatief meer ‘serieuze’ tijd dan vroeger aan politiek. Waarbij een niet onbelangrijke aantekening moet worden gemaakt: politieke programma’s verhuisden in de loop der jaren van prime time naar minder goed bekeken tijden.

Om te kijken hoe al die uren werden besteed, bekeek Van Santen de ontwikkeling van het actualiteitenprogramma Brandpunt van 1960 tot het opging in Netwerk in 1996. Deze analyse van de personalisatie wijst uit dat de aandacht voor nationale of ‘populaire’ onderwerpen als rampen en ongelukken al die jaren nauwelijks is gestegen. Van Santens onderzoek naar popularisering loopt tot 2006; dat naar personalisering tot 1996. Zij mist hierdoor ontwikkelingen die het gevolg zijn van de opkomst van politici als Fortuyn, Verdonk en Wilders.

Ook de gedachte dat het vroeger om de inhoud ging en nu meer om de ‘poppetjes’, weerspreekt Van Santen, na bestudering van ‘tv-portretten’ door de jaren heen. Ook in de jaren zeventig ging het al om de premiersstrijd tussen Joop den Uyl en Dries van Agt. Hoogstens kan worden gezegd dat „emotionele getuigenissen” tegenwoordig iets vaker voorkomen, waarin politici over hun persoonlijke drijfveren vertellen. Maar, zegt Van Santen, omdat die persoonlijke aandacht altijd wordt gekoppeld aan politieke ideeën gaat het „niet ten koste van politieke informatie.”

Van Santen interviewde politici en journalisten, een deel was positief. Popularisering geeft politici meer mogelijkheden om hun boodschap over te brengen. Door het persoonlijke verhaal van een politiek leider te kennen, weet een kiezer aan wie hij vertrouwen geeft. Anderen zien juist het omgekeerde: politici halen het aanzien van hun vak omlaag door op te treden in spelletjesprogramma’s.

Aldus

Popularisering geeft politici meer mogelijkheden om hun boodschap over te brengen.

Politicoloog Rosa van Santen

    • Derk Stokmans