‘Ik wil geweld met schaamte overladen’

Wat drijft een schrijver om zich te verplaatsen in de denkwereld van huurmoordenaars? Patrick deWitt situeert ze in een western met veel geweld en humor.

‘Je moet als schrijver goed opletten wat ze zeggen, het mag geen geklets in de ruimte zijn. Doelbewuste flauwekul, als het ware’ Roger Cremers

‘Eigenlijk heb ik een hekel aan westerns.’ Zo’n mededeling van een schrijver die zijn westernroman aan het promoten is, heeft iets ontwapenends. De in Canada geboren Patrick deWitt (hoornen bril, handtatoeage, maar bepaald geen stoere uitstraling), is met vrouw en kind naar Amsterdam gekomen om zijn roman De gebroeders Sisters toe te lichten. De roman speelt zich af tijdens de goudkoorts in de Verenigde Staten. Twee broers, de huurmoordenaars Eli en Charlie, krijgen opdracht een man te vermoorden die naar het westen is vertrokken. Het is een tijd waarin moordenaars formeel wel worden opgespoord, maar zonder al te veel inzet van de autoriteiten.

Al schietend banen de broers zich een weg naar het westen. Ondertussen ontdekt Eli de charme van tandpoeder, en denkt hij veel na over wat hij ziet en hoort. De broers vinden hun doelwit uiteindelijk, maar dan blijkt dat de man niet vermoord moet worden omdat hij iets gestolen heeft, maar omdat hij een formule heeft die goud doet oplichten in water.

Waarom schrijft een Canadees een western?

„Het is raar gelopen, maar wat ik aan het schrijven was, begon eigenlijk vanzelf op een western te lijken. Ik was bezig met een stijloefening. Ik schreef veel dialogen, de stemmen van Eli en Charlie kregen vorm, en toen kwam het punt waarop ik moest kiezen: ga ik ermee door of niet? Soms worden personages niet helder voor me, eigenlijk net als in het gewone leven, daarin kan ik ook niet altijd hoogte krijgen van sommige mensen terwijl anderen me meteen interesseren. Zo was het met Eli, dat was liefde op het eerste gezicht, ik mocht hem meteen toen ik zijn stem had gevonden.

„Ik vind het aantrekkelijk om zo’n genreboek te schrijven, zelfs als ik het genre helemaal niet goed ken. Juist dan is de kans groter dat ik met iets bijzonders kan komen.”

Waarom was het liefde op het eerste gezicht met deze dikke, neurotische huurmoordenaar?

„Eli’s gedrag is niet erg fatsoenlijk, dus dat kan de reden niet zijn, maar ik vind hem nieuwsgierig, zoekend. Op zijn eigen manier is hij bescheiden, zijn neuroses vind ik sympathiek en herkenbaar. Die karakteristieken gaven me veel speelruimte: een hoofdpersoon die vaak twijfelt en zich altijd afvraagt hoe het anders en beter kan. Ik voel me met hem verwant. Ja, zijn menselijkheid sprak me aan.

„Tuurlijk er is iets mis met Eli. Al mijn personages zijn beschadigde mensen, eenzaam ook. Ik liet mijn reserve tegenover het idee van de western trouwens varen toen ik me realiseerde dat het niet om die achtergrond ging, maar dat alles met de persoonlijkheden te maken had en hun onderlinge verhoudingen. En dat zijn tijdloze onderwerpen. Charlie en Eli: we kennen dat soort mensen, alleen vindt het verhaal toevallig plaats in 1851.”

Maar dan blijft de vraag: waarom 1851?

„Het begon allemaal met aantekeningen over ‘gevoelige cowboys’ – een type dat je zelden in westernfilms tegenkomt. Dat viel me altijd al op bij die films: je krijgt helemaal geen inzicht. Dus dat wilde ik uitwerken, ik wilde het tegenovergestelde van John Wayne neerzetten. Want dat soort cowboys moeten er geweest zijn, maar we lezen alleen maar verhalen over helden of slechteriken.

„Eli’s broer Charlie is iemand die een beter leven ambieert. En zoals dat gaat met ambitieuze mensen: het moet altijd méér zijn. Dat komt voort uit hebzucht, maar ook uit het idee dat je jezelf kan verbeteren. Die twee eigenschappen pasten goed tegen de achtergrond van de Goldrush. In dat tijdsgewricht kon een dergelijke ambitie compleet uit zijn voegen barsten. Binnen de kortste keren werden er bijvoorbeeld steden uit de grond gestampt. Het is angstig om te zien wat ambitie met een gebied en met beschaving kan doen.”

Zijn die ambities ook naar nu te vertalen?

„Nee, sociaal commentaar is voor mij niet belangrijk.”

Waarom niet?

„Geen idee, het heeft gewoon mijn belangstelling niet. Ik schrijf omdat ik het prettig vind om in mijn eentje in een kamer te zitten en om dingen te verzinnen. En die tijd wil ik niet gebruiken om mensen te vertellen wat ze moeten doen of om ze op hun fouten te wijzen. Ik doe zelf ook zoveel fout, dus waarom zou ik iets mogen zeggen over anderen? Expliciet sociaal commentaar is hypocriet. Ik heb het natuurlijk over hebzucht en corruptie, dat kan niet anders als je over goudkoorts schrijft. Lezers zullen Charlie beoordelen, veroordelen, dat geeft niets, maar het was niet mijn bedoeling. Die oordelen komen organisch tot stand.”

Er valt veel te lachen, zeker in de dialogen. Past dat wel in een western?

„Humor gebruik ik al sinds mijn zevende. Het is een goeie manier om met onzekerheid en depressie om te gaan. Humor is een wapen tegen de negatieve kanten van het leven. Ik ben opgevoed met humor als verdedigingsmechanisme. En die zorgt ervoor dat ik de lezer een scheef perspectief kan aanbieden. Niet alleen maar somber of ongelukkig, er moet enige lichtheid zijn, anders verlies je je belangstelling. Tenminste ik wel.

„En die belangstelling moet je ook vasthouden in dialogen. Ik hou van dat meanderende geouwehoer waar je niets van leert. De dialoog moet het verhaal vooruithelpen. Je moet als schrijver dus goed opletten wat ze zeggen. Het mag geen geklets in de ruimte zijn, maar wel doelbewuste flauwekul.

„Het enige dat echt geconformeerd is aan het genre van de western is het slot. Het is een afgerond slot, bevredigend voor de lezer van dit soort genreboeken, maar ook voor mezelf. Een boek met een plot, dat is enorm moeilijk, ik vond het heel belastend. Ik denk niet zo schematisch en dat moest in dit geval wel.”

Behalve een western is het ook een typisch Amerikaans geweld-verhaal.

„Grappig is dat ze het in de VS helemaal geen Amerikaans verhaal vinden, maar zodra ik over de grens kom, zien ze het wél als ‘een typisch Amerikaanse vertelling over geweld’. Het kan me niet zoveel schelen.”

Echt niet?

„De lezer moet er wel heel erg naast zitten, wil ik me ergeren. Lezen is en blijft een individuele ervaring. Ik vraag me af of ik mijn lievelingsboeken wel zo gelezen heb als de auteurs ze hebben bedoeld.”

Maar hoe moet het geweld dan geduid worden? Als persoonlijke interesse?

„Ik ben al lang niet meer geïnteresseerd in geweld. Kijk, toen ik jong was, elf, twaalf jaar, ging ik naar punkconcerten, eind jaren tachtig, Zuid-Californië, en dat waren heel gewelddadige evenementen, met grote gevechten, rellen, en ik heb wat lelijke dingen gezien die me ervan genezen hebben. Geweld kan interessant zijn, intiem, een fenomeen om over te schrijven. Maar zien? Nee dank je.

„Ik ben geen pacifist, maar wat ik over geweld schrijf, wilde ik wel met schaamte beladen. Soms lijkt het alsof schrijvers zoveel mogelijk personages willen ombrengen en geloof het of niet, ik heb me ingehouden. Grappig is dat het geweld tegen dieren, zoals al die dode bevers in besmet water, veel erger wordt gevonden. Dode bevers, dat vinden lezers erger dan al die dode mensen.”

Uw eerste roman ging over een verslaafde, deze over een huurmoordenaar. Wie krijgen we te zien in een volgend boek?

„Ik ga over een soort Bernie Madoff (zakenman die wegens miljardenfraude 150 jaar cel kreeg, red.) schrijven. Het zal wel als kritiek worden gezien. Als je nu over een priester schrijft, wordt dat gelezen als aanklacht tegen de katholieke kerk. Schrijven over een bankier is schrijven over de financiële wereld. Dus ik kan me zo’n reactie in het geval van Madoff wel voorstellen. Maar het gaat me ook dit keer om het individu, want de financiële wereld lijkt me saai. Ik wil weten waar iemand als Madoff over nadenkt, waar hij over praat – als hij niet over geld praat.

„Nadat Madoff was gearresteerd en nog even naar huis ging, verhinderden paparazzi hem naar binnen te gaan. Ze haatten hem, dat was te zien, ze sloegen hem bijna met de camera’s weg voor zijn eigen voordeur. En ik had medelijden met hem, heel even. En dat verraste me. Madoff! Dat is werkelijk het ergst denkbare uitschot, hij zou opgehangen moeten worden in het openbaar zodat we zijn lijk zouden kunnen uitlachen. Maar toch had ik even medelijden en toen wist ik: ik moet een boek over zo iemand schrijven. Zo moeilijk is dat niet, er zijn altijd dingen die je kunt invoelen. En zo kan elk handelen begrijpelijk worden.”

Patrick deWitt: De gebroeders Sisters. Vertaald door Caroline Meijer en Saskia van der Lingen. De Arbeiderspers, 248 blz. € 19,95

    • Toef Jaeger