Het kwaad, dat is de mond

Koen Peeters: Duizend heuvels. De Bezige Bij Antwerpen, 288 blz. € 19,95

Sommige Nederlandse schrijvers hebben een band met Indië. Dat heeft bijna altijd te maken met vroeger. Zo hebben sommige Belgische schrijvers een historische band met Afrika, en dan vooral met Congo. Hugo Claus wijdde een ironische roman aan een uit Congo gedeserteerde Belgische soldaat. Jef Geeraerts schreef over zijn ervaringen als assistent-gewestbeheer en militair. In 2010 reisde Erwin Mortier voor het eerst naar Congo – om er meteen ook weer afscheid van te nemen. Maar het was vooral David van Reybrouck die met Congo, een geschiedenis (2010) een helder inzicht gaf in de betrekkingen tussen België en deze voormalige kolonie.

Wat Van Reybrouck deed met Congo, doet Koen Peeters in Duizend heuvels met buurland Rwanda, dat rond dezelfde tijd onafhankelijk werd. Uitgebreid beschrijft hij wat er gebeurde toen de Belgen zich in 1962 terugtrokken uit Rwanda. Chaos. Stammentwisten. Machtswisselingen. Steeds gewelddadiger botsingen tussen de Hutu’s en de Tutsi’s. In 1994 zouden die uitmonden in een complete burgeroorlog. Met machetes en handgranaten gingen gewone mensen, opgehitst door militante bewegingen, elkaar te lijf. Daarbij vielen in drie maanden tijd 800.000 slachtoffers, vooral onder de Tutsi’s.

Bij Peeters, antropoloog van huis uit, zie je, net als bij Van Reybrouck, een veelheid aan stemmen en geluiden, aan anekdotes en achtergrondgegevens. En hij heeft een ruime, genuanceerde blik op heden en verleden, waarin geen definitieve oordelen worden geveld. Of je Duizend heuvels een roman kunt noemen, lijkt mij de vraag. Er komt soms een sprekende haas voorbij, of een Belgisch kind dat in zijn slaap het Kinyarwanda, de Rwandese taal, blijkt te beheersen. Maar verder is dit boek vooral een grote, goed geordende vergaarbak van feiten en verhalen. Dat gold ook al voor eerdere boeken van Peeters, zoals De postbode (1993), Grote Europese roman (2007) en De bloemen (2009).

‘Stel dat je wakker wordt met een zwart gezicht’, zo luidt de eerste, uitnodigende zin van het boek. ‘Stel dat jij leeft in Afrika, in het hart van dat hartvormige continent waar ooit de mensheid ontstond. Alle talen komen daarvandaan. (...) Aan die kleine vlek, die zwarte pok, is een verhaal verbonden dat niet eerder werd verteld.’ Zo wordt meteen duidelijk waar het zwaartepunt van de roman zal liggen. Niet bij de betweterige blanken, maar bij de taalgevoelige, spreekwoordlievende bewoners van dat mooie kleine land, met zijn duizend heuvels, zijn meren, zijn kraanvogels en zijn kwikstaartjes, die nu eens hun eigen licht over de geschiedenis willen laten schijnen – zij het ook onder auspiciën van een Belg.

Het boek bestaat uit vijf hoofdstukken, waarin steeds opnieuw, maar dan met andere invalshoeken en accenten, dezelfde Rwandese geschiedenis uit de doeken wordt gedaan. Steeds opnieuw wordt gecirkeld rond die ene pijnlijke kwestie. Hoe kon het gebeuren dat Hutu’s en Tutsi’s, die eeuwenlang min of meer vreedzaam samenleefden, vanaf de jaren zestig elkaars vijanden werden? En hoe kon het vervolgens gebeuren dat die vijandschap zou ontaarden in een nietsontziende slachting? Lag het aan de Rwandezen zelf, die toch altijd al vechtlustig waren ingesteld en niet keken op een lijk meer of minder? Was het de schuld van de Belgen, die het evenwicht verstoorden met hun regelneverij? Had de katholieke kerk te weinig gedaan? Of lag het aan de VN-vredesmacht die al bij de eerste schermutselingen het hazenpad koos?

Koen Peeters loopt alle mogelijke scenario’s na, geeft hier en daar de Tutsi’s het voordeel van de twijfel, maar houdt zich verder voorbeeldig op de vlakte. Iedereen mag hier uitgebreid en zonder commentaar zijn verhaal doen. We maken kennis met Rwandese taxichauffeurs in Brussel, die heimwee hebben naar hun geboorteland, maar niet terug durven. We luisteren naar de smartelijke verhalen van zwarte priesters en Witte Paters. We zien een Rwandese mandjesvlechtster aan het werk en een Vlaamse architect die in Rwanda een etnografisch museum mag bouwen, waarin de mandjes ten toon worden gesteld. We horen het levensverhaal van een rondborstige Rwandese historicus die over alles wil praten, behalve over de troebelen tussen Tutsi’s en Hutu’s. En we volgen de wegen van een naar België gevluchte weesjongen, die op zijn 27ste terugkeert naar Rwanda. Daar is hij getuige van de berechting van de moordenaar van zijn ouders en broertje door een merkwaardig soort volkstribunaal.

Zelf komt Peeters ook voor in het boek. Ik neem tenminste aan dat hij de naamloze ik-figuur is die in het laatste hoofdstuk, na het bestuderen van honderden boeken over Rwanda, de stoute schoenen aantrekt om zijn onderzoeksobject nu maar eens met eigen ogen te gaan zien. De opluchting is groot. Niet alleen bij hem, maar ook bij zijn lezers. In dat verrassend luchtige slothoofdstuk liggen de heuvels, de meren en het groene landschap er net zo schilderachtig bij als beloofd. Ook het kwikstaartje hipt vrolijk rond. Het leven, zo blijkt, is gewoon doorgegaan na 1994. De mensen hebben nieuwe gezinnen gesticht, Tutsi’s en Hutu’s werken als vanouds samen en zwijgen het liefst over wat zich in hun dorpen heeft afgespeeld. Met duidelijke instemming van Koen Peeters. Hij citeert graag hun spreekwoorden. ‘Wij zeggen: „Het kwaad, dat is de mond’’. Of: ‘‘Ik zeg niets, ik praat alleen maar’’.’