Hadden we thuis moeten blijven?

Hoe verging het al die Nederlanders overzee tussen 1600 en 1800? Een nieuw, informatief boek probeert met een globale greep deze vraag te beantwoorden. Het werd vooral een financiële en demografische balans, concludeert Roelof van Gelder.

ie een boek wil schrijven over Nederland overzee maakt het zichzelf niet gemakkelijk. Problemen van chronologie en geografie dienen zich aan, ook al wordt de materie beperkt tot twee eeuwen en deelt men de wereld als bij een nieuw Verdrag van Tordesillas in tweeën met elk een auteur.

De twee grootmachten zijn deze keer niet Spanje en Portugal (die de verdeling van de niet-Europese wereld met dit verdrag regelden, red.), maar twee Leidse hoogleraren: de emeritus Piet Emmer, kenner van de West en dan vooral van slavenhandel en slavernij, die door zijn praktische, kwantitatieve benadering van deze gevoelige problematiek zich menig scheldpartij op de hals heeft gehaald, en Jos Gommans die per 1 juli aantreedt als hoogleraar Colonial and Global History en Centraal Azië, in het bijzonder India, tot specialiteit heeft. Samen schreven zij Rijk aan de rand van de wereld in de wel zeer onregelmatig verschijnende serie De geschiedenis van Nederland. De overzeese jaren na 1800 waren al gedaan door hun collega H. van den Doel in 2011.

Ook al is de periode dus ingeperkt en de wereld in tweeën verdeeld, dan nog is het een bijna onmogelijke opgave om een geactualiseerd en leesbaar boek over de Nederlanders overzee te schrijven. De titel is al een anachronisme. Nederland bestond nog niet – de auteurs schrijven dat men beter van een Hollands-Zeeuwse expansie kan spreken. En met overzee wordt niet Engeland of Denemarken bedoeld maar alles wat buiten Europa valt. En als we voor ‘Nederland’ Nederlanders lezen of Hollanders en Zeeuwen, dan moeten we wel bedenken dat ongeveer de helft van de employees van de VOC buitenlanders waren en we in de West voortdurend Duitsers, Denen, Zweden, Fransen, Zwitsers, Schotten en Engelsen tegenkomen die op ‘onze’ handelsposten, forten en plantages werkten.

En dan het dubbelzinnige ‘rijk', uit de titel. Als politieke eenheid klopt dat niet, het was op een groot aantal handelsposten en op enkele soms tijdelijke territoria waar ‘Nederlanders’ heersten na geen aaneengesloten gebied. En rijk in financieel opzicht is maar zeer ten dele waar. Een elite heeft schatten verdiend, maar de meerderheid van de Nederlanders overzee had een ellendig bestaan op een verre post. Als ze de oversteek al haalden.

Het probleem bij zo’n boek is ook de diversiteit aan activiteiten van de Nederlanders overzee. Handel was de primaire drijfveer en verspreid in Azië onderhielden de Nederlanders een stelsel van handelsposten, maar ook, dankzij hun militaire macht, een aantal landbouwgebieden waar ze soeverein waren (de Kaapkolonie, op Java, Ceylon en de Molukken). In het Atlantisch gebied zaten ze kortstondig in Brazilië en Nieuw-Nederland en veel langer aan de Westkust van Afrika en in het Caraïbisch gebied. Voeg daarbij de rijke oogst aan boeken en artikelen over de Oost en de West van alleen al de afgelopen dertig jaar en men begrijpt dat de auteurs hun handen vol hebben gehad.

Emmer en Gommans bieden hun boek aan als een specimen van global history. Veel aandacht gaat dus naar de longue durée, naar de klimatologische en geografische omstandigheden en, vooral in het Aziatisch gedeelte, naar de eeuwenlange periode dat er al een intra-Aziatisch handelsnetwerk bestond. Daarbij maken de auteurs inzichtelijk hoe productiegebieden, transportlijnen en handelscentra met elkaar in verbinding stonden en in hun karakter werden bepaald door bergen en woestijnen, moessons en passaten, rivieren en oceanen.

Zij stellen de Nederlandse activiteiten ook systematisch in vergelijkend internationaal perspectief, zodat we kunnen lezen hoe Portugezen en Spanjaarden en later ook Fransen en Engelsen het in dezelfde gebieden anders deden dan wij. Waarom bijvoorbeeld mislukten de kolonisatiepogingen in Brazilië en in Nieuw-Nederland?

Men kreeg gewoon te weinig kolonisten bij elkaar en dat kwam weer voort uit factoren die eigenlijk heel positief waren: Nederland kende een tolerant klimaat, er was genoeg werk en het was hier geen praktijk om gevangenen op transport te stellen naar verre oorden. Dus waarom zou je gaan?

Ook stellen de auteurs zich telkens de vraag wat deze commerciële contacten nu hebben betekend, zowel overzee als in Nederland zelf. Die invloed wordt vooral op economisch en op demografisch cultureel gebied behandeld.

De globale greep is knap en gedegen gedaan. Toch kleven er twee bezwaren aan dit verder zeer informatieve boek. Ervan afgezien dat sommige delen door de zakelijke stijl meer weg hebben van een meerjarenverslag van een groot im- en exportbedrijf dan van enthousiasmerende geschiedschrijving, is het als introductie op de materie niet helemaal geslaagd. Dat komt doordat een inleiding over doel, middelen en organisatie van de VOC en de WIC en de particuliere initiatieven wel zeer summier is gehouden en er zeker voor het Aziatische deel veel bekend wordt verondersteld.

Het eerste van de drie delen behandelt de culturele invloeden van al die buiten-Europese activiteiten op Nederland. Dat is een mooi en belangrijk onderwerp, maar zou eerder aan het eind van dit boek passen. We lezen over de vele boeken die in Nederland verschenen over vooral de Aziatische gebieden: over vroege etnografie en taalkunde, over de vele kaarten en atlassen en over verzamelingen van curiositeiten. Aandacht gaat naar de eerste sporen van de oriëntalistiek. We lezen ook dat de Nederlandse tuinkunst voortkomt uit die contacten. Voor medische tuinen klopt dat ten dele, maar niet voor de grote siertuinen.

Bladzijden lang lezen we over de invloed van de Nederlandse schilderkunst op Mughalkunstenaars en vice versa. Het is interessant maar marginaal, zeker in het kader van global history. We lezen zelfs dat de Radicale Verlichting te danken is aan onze verre contacten. Dit lijkt mij schromelijk overdreven.

Dat het boek onevenwichtig is blijkt ook uit het feit dat er met vrijwel geen woord wordt gerept over de invloed op het dagelijks leven van de gewone Nederlanders. De VOC en de WIC hebben de Nederlanders aan de koffie, de thee en de chocola geholpen; ze dronken daarbij uit Chinees porseleinen kopjes en hun huizen decoreerden ze met porselein of in Nederland gemaakt imitatieporselein. Daarover lezen we niets.

Dat we meubels van ebbenhout en sitsen spreien in huis kregen, dat er bontgekleurde rokken en kappen en ‘Japonse’ rokken werden gedragen blijft onvermeld. In twee regels lezen we dat de Nederlanders iets goedkoper gekruid voedsel en zoete spijzen nuttigden dankzij specerijen en suiker. Dat is typerend voor dit boek: op financieel en economisch terrein is het sterk, op cultuurhistorisch gebied schiet het tekort.

Ook de meer dan kortstondige invloeden van Nederland in die verre gebieden komen slechts in het voorbijgaan aan bod, zoals de invoering van het Hollandse rechtsstelsel, de evangelisatie, de aanleg van irrigatiekanalen op Ceylon, de stadsplanning van Jakarta, Nieuw-Amsterdam, Kaapstad, de Nederlandse fortenbouw, de levering van geschut en de kennis daarvan aan allerlei vorsten.

De delen over respectievelijk de West en de Oost zijn verreweg de belangrijkste in dit boek. Beide zijn zeer informatief en vooral het Aziatische deel, complexer door de vele gebieden die behandeld moesten worden, is zeer compact geschreven. Slavenhandel en slavernij krijgen ruimschoots aandacht.

Aan het eind maken de auteurs de balans op. Maar welke balans? Eigenlijk is dat ook een onmogelijkheid, want wat meet je? De dividenden van een paar families? De matige opbrengst voor een planter? De levensvreugde van de gemiddelde boekhouder overzee?

Het is een financiële en een demografische balans geworden. Financieel heeft het allemaal niet veel opgeleverd, zo luidt de conclusie. In het kader van de totale Nederlandse economie was de VOC van beperkt belang en in bepaalde periodes is er zelfs sprake geweest van kapitaalverlies. En dat alles nog wel ten koste van onnoemelijk veel mensenlevens: indianen die door westerse ziekten stierven, een demografische ravage.

De slavenhandel – het Nederlands aandeel wordt geschat op vijf procent – ontwrichtte Afrikaanse gemeenschappen. Honderdduizenden Europeanen zijn via Nederland naar Azië en de West gevaren. De meesten bleken niet bestand tegen malaria en gele koorts. Het heeft voor werkgelegenheid gezorgd, maar de mannen die naar Azië, Afrika of Amerika vertrokken leefden korter dan de thuisblijvers. De lezer kan dan ook herhaaldelijk verzuchten ‘waren we maar gewoon thuis gebleven’.

Toch lijkt mij die balans ook weer te negatief en te eenzijdig, juist omdat het een globale, financiële is en zoveel bijeffecten niet zijn ingecalculeerd. Het is waar dat maar eenderde van de mannen in VOC-dienst terugkeerde, maar velen zijn daar gebleven en leefden nog lang en misschien wel gelukkiger dan in Europa.

Het is waar dat de VOC steeds meer in de rode cijfers kwam, maar juist in kleinere steden, zoals Middelburg, Hoorn of Enkhuizen die al vanaf de tweede helft van de 17de eeuw op hun retour waren, was de VOC de kurk waarop de stedelijke economie bleef drijven. En heel wat huisgezinnen konden daar het hoofd boven water houden dankzij de mannen die ter zee gingen of hun brood verdienden met het leveren van hout, ijzer, zeildoek, touw, erwten en stokvis aan de schepen die vertrokken naar de Oost of naar de West.

Piet Emmer en Jos Gommans: Rijk aan de rand van de wereld. De geschiedenis van Nederland overzee 1600-1800. Bert Bakker,542 blz. € 29,95

    • Roelof van Gelder