Geluid verdwijnt en schepen gaan er brandend ten onder

Hiromi Kawakami: Manazuru. Atlas, 208 blz. € 24,95

Kei, een vrouw van in de veertig, loopt naar het hoofdstation van Tokio met de bedoeling de trein naar huis te nemen. Toch stapt ze in een andere lijn. Zo belandt ze in Manazuru, een dorp op het gelijknamige schiereiland ten zuiden van de Japanse hoofdstad. Haar echtgenoot Rei, die twaalf jaar eerder verdween, had zonder verdere duiding de naam Manazuru laten vallen in zijn dagboek. Is dat wat haar erheen dreef? En is Manazuru wel een echte plek, of een droomwereld?

De Japanse romanschrijfster Hiromi Kawakami is in eigen land een grote naam. Ze won de Pascal Debuutprijs voor haar korte verhaal ‘Kamisama’ (God), de Akutagawa Prijs voor het nog onvertaalde Hebi Wo Fumu (1996) en de Tanizaki Prijs voor het ontroerende De tas van de leraar (2000). Het nu vertaalde Manazuru (2006) was goed voor een prijs van het ministerie van Onderwijs. (De literaire prijzendichtheid is in Japan, met vijfhonderd verschillende accolades, uitzonderlijk hoog.) Manazuru is een boek dat magisch realistischer is dan eerder vertaald werk van haar, en mede daardoor meer van de lezer vraagt.

Al een tijdje wordt Kei achtervolgd door een schaduwachtige figuur, die in Manazuru de solide vorm van een oud vrouwtje aanneemt. Ze lijkt meer te weten over Rei, maar Manazuru is niet een plek waar helderheid wordt verschaft. Tijd bevriest er, geluid verdwijnt en schepen gaan er brandend ten onder in zee. Het lijkt de symbolische weerslag van Kei’s eenzaamheid.

Wat opvalt is haar obsessie met vervreemding. ‘Ik had geen seconde gedacht dat Rei een onbekende voor me was,’ vertelt ze, ‘maar zodra ik dat dagboek las, werd hij dat wel. Ik kon zijn gezicht niet meer oproepen. Noch zijn geur. Hoe zijn huid voelde. Zijn stem. [...] Mijn wereld zien door andermans ogen was eng. Sindsdien voelt het lezen van die woorden in het dagboek dus als een steek. Het doet pijn. Het is verschrikkelijk. Ik haat het. Ik haat hem, Rei. Hij is anders dan ik.’

Vervreemding kleurt ook de relaties met haar tienerdochter Momo, haar inwonende moeder en Seiji, de getrouwde man waarmee ze al tien jaar een affaire heeft. ‘Met mijn hand op de deurkruk van de badkamer, dacht ik terug aan de zachtheid van Seiji’s lippen. Als de aanraking van tedere bloembladeren. ‘ ‘Seiji’, probeerde ik hem te roepen. Niemand antwoordde. Er was niemand. Iedereen nam afstand, ging van me weg.’

Hoewel suggestief van toon en vol sprekende details, beviel deze roman me minder dan de twee die Atlas eerder uitbracht, De tas van de leraar en Nakano’s handel in oude rommel. Dat heeft veel te maken met het magisch realisme en het karakter van de hoofdfiguur.

Kawakami blijft te vaak steken in vage abstracties of te groteske beelden. Juist wanneer álles kan, is maatvoering essentieel.

Kei’s neuroses vormen de grootste drempel. Thematisch is deze roman verwant aan De tas van de leraar en Nakano’s handel in oude rommel. Het gaat over de moeilijkheid wezenlijk contact te maken. Maar waar het in die boeken om een aarzelende dans van verlegen figuren gaat, lijkt er bij Kei meer aan de hand. Haar gedrag heeft iets anti-sociaals, iets psychiatrisch. Haar vervreemding lijkt niet het gevolg van het trauma van verlating – en inderdaad, in herinneringen lijkt het ook al tijdens haar huwelijk een rol te spelen, met een gevolg dat niet los kan worden gezien van Rei’s verdwijning.

Ik merkte dat ik mezelf betrapte op de gedachte: tja, wie zou zo’n vrouw niet verlaten? Geen goede gedachte. Eén stap verder en je verlaat het boek, door het dicht te slaan.

    • Auke Hulst