De ongrijpbare buitenstaander

In zijn biografie van de jonge Barack Obama komt David Maraniss met veel details. Zoals een ex-geliefde die nog een boekje opendeed over de Obama die we nu denken te kennen.

Barack Obama, een ongedateerde kiek uit het familiealbum Foto Bloomberg News

David Maraniss: Barack Obama: Het Verhaal. Vertaald onder redactie van Pon Ruiter. De Bezige Bij, 700 blz. € 24.50.

Wie de lawine aan publicaties over de Amerikaanse president Barack Obama overziet zou bijna concluderen dat het met de somber geschetste toekomst van het papieren boek nog wel meevalt. Zou er ooit tijdens de eerste ambtstermijn van een Amerikaanse president zoveel over hem en zijn familie zijn gepubliceerd, nog afgezien van zijn eigen beide boeken? En daar komt dan deze week ook nog eens het twee vuisten dikke Obama, The Story bij van Washington Post-journalist David Maraniss, die al eerder een biografie van Bill Clinton publiceerde.

Maraniss gaat wel heel erg grondig te werk in zijn beschrijving van Obama’s jonge jaren en zijn wortels. De latere president wordt pas in hoofdstuk zeven, op ongeveer eenderde van het boek, geboren en daarvóór is de auteur meer dan uitvoerig bezig met het graven naar de achtergronden van zijn beide ouders en ook hún voorgeslacht. Echt boeiend wordt het boek pas als Obama, na enkele jaren in Indonesië bij zijn moeder en haar nieuwe man te hebben gewoond, naar zijn geboorte-eiland Hawaii terugkeert en daar op zijn middelbare school een enthousiast lid wordt van de Choom Gang, een jongenskliek voor wie marihuanaroken de belangrijkste bezigheid lijkt. De vermaning van zijn moeder (‘verdomme Bar, je kunt toch niet de hele tijd zitten te niksen’) zal nog decennia later in hem na-echoën als hij in Chicago als welzijnswerker aan de slag gaat om daar, in de woorden van een vriend ‘krediet op te bouwen in de zwarte wereld, want dat was nodig om later de politiek in te kunnen gaan.’

Na een nogal zorgeloze periode aan Occidental College in Los Angeles, waar hij hoofdzakelijk met Pakistaanse rijkeluiszoontjes omging, vertrok hij naar Columbia University in New York en begon wat wel zijn ‘duistere New Yorkse periode’ wordt genoemd. Het is vooral dit laatste deel van het boek dat gelezen kan worden als een herziening van en commentaar op Obama’s eigen Dreams from my father. Maraniss onthult een lange reeks aan verdichtingen, ‘samenstelsels’, verschuivingen in chronologie en plaats die, zoals de president later volhield, niet meer zijn dan ‘voorbeelden van hoe je zoiets redactioneel oplost.’

Samengestelde vrouw

Er is in Obama’s boek sprake van ‘een vrouw van wie ik hield. Ze was blank. Ze had donker haar en groene vlekjes in haar ogen [...] We hebben bijna een jaar een relatie gehad.’ Maraniss heeft die vrouw opgespoord en haar haar naam gegeven: Genevieve Cook. Obama liet haar naamloos, en met een reden: veel van de gebeurtenissen die hij aan hun samenzijn toeschrijft hadden elders en/of met andere vrouwen plaats, maar hij had die ‘samengestelde vrouw’ nodig om zijn geleidelijke verschuiving van ‘buitenstaander naar Amerikaan, van blank naar zwart’ een verhaalvorm te geven – iets waarmee je je inderdaad in de autobiografievorm meer vrijheid kunt veroorloven dan in een biografie.

Dit hoofdstuk is het boeiendst, niet alleen omdat Obama’s innerlijke strijd, van de eeuwige buitenstaander (zowel volgens keuze als volgens afkomst) die zoekt naar iets om werkelijk bij te horen, er goed in wordt gedocumenteerd, aan de hand van getuigenissen van medestudenten. Maar vooral Genevieve Cooks dagboek biedt een bijna helderziende visie op eigenschappen die de man zelfs dertig jaar later in het Witte Huis nog zouden kenmerken. ‘Zijn warmte kan bedrieglijk zijn. Hij zegt wel lieve dingen en kan open en vol vertrouwen zijn, maar er is ook koelheid. […] Er is zoveel onder het oppervlak gaande waar ik niet bij kan. Op zijn hoede, beheerst […] De abruptheid en het gebrek aan warmte waarmee Barack vertrok – daar schrok ik wel van […]. Inmiddels heb ik het idee dat Baracks gereserveerdheid niet komt door de fase van zijn leven waarin hij zich bevindt, maar een emotionele beschadiging is […].’

De uitermate breed uitwaaierende (en dan vooral geografisch gesproken) jeugdige achtergrond van Obama bezorgt de biograaf voorstelbare problemen en leidt tot een aanpak die nogal wat geduld vergt van de lezer. Hij gaat tot in de allerkleinste details in op de levens van zijn ouders en voorouders, hun Afrikaanse, Hawaiïaanse, Indonesische en Amerikaanse periodes, ook lang nadat ze al dan niet geheel onzichtbaar zijn geworden in Obama’s eigen bestaan. Wat niet meehelpt is dat de auteur niet altijd even handig is in het scheiden van hoofd- en bijzaken, maar hij meent dit probleem op te lossen door hier een daar een resumé te geven van wat voorafging en wat dat voor betekenis heeft voor wat volgt. Ook hierdoor zal de lezer geneigd zijn nogal wat over te slaan, zonder het risico overigens veel te missen.

Schade aan de campagne

Nog voor verschijning werd er in de Amerikaanse pers en blogosphere druk gespeculeerd over mogelijke schade die dit boek zijn campagne voor herverkiezing kan toebrengen. Dat Obama dit zelf enigszins aanvoelde wordt misschien geïllustreerd door het feit dat hij, bij wijze van damage control, de auteur een uitgebreid interview toestond om de inconsistenties in zijn autobiografie toe te lichten. Uiteindelijk zal die schade wel beperkt blijven tot wat gekissebis in de discussieprogramma’s op televisie op zondagochtend en wat vuurspuwerij op de reactionaire talkradio.

Maraniss’ boek eindigt met Obama’s eerste reis naar Nairobi, het land van zijn vader, een reis die, hoezeer hij dat ook hoopt, de innerlijke strijd over zijn raciale identiteit en zijn toekomst niet helpt verlichten. Aan de ene kant schrijft hij dat hij daar voor het eerst ‘de warme zekerheid van weten wie je bent’ voelde. Aan de andere kant valt zijn beeld van zijn enkele jaren tevoren verongelukte, briljante maar alcoholische en gewelddadige vader in duigen. Aan het eind van zijn trip loopt hij naar de mangobomen op het erf van stiefgrootmoeder Sarah, knielt tussen de graven van zijn vader en grootvader ‘en barstte in tranen uit.’

Obama is dan zevenentwintig en zal kort erna naar Harvard vertrekken. Van een politieke carrière is hooguit bij suggestie sprake. Maraniss kondigt nog tenminste één volgend deel aan. Als de president wordt herkozen zullen dat er meer worden en in omvang Robert Caro’s levenswerk over Lyndon Johnson wellicht benaderen. Maar of het net zulke boeiende leesstof oplevert valt nog maar af te wachten.

    • Jan Donkers