De hele wereld draait om de Tour – en ik doe mee!

Vorig jaar brak Wout Poels (24) door als profwielrenner. De ranke klimmer heeft nu zijn zinnen gezet op de Tour de France, die morgen begint met een proloog in Luik.

Nog niet zo lang geleden was Wout Poels de meest laconieke wielrenner van zijn ploeg. Als zijn teamgenoten spraken over de leuke klim in de etappe van morgen, dan had hij geen idee. Pas de volgende dag, in de bus naar de start, bladerde hij door het rondeboek. „We moeten er toch met z’n allen overheen, dacht ik altijd”, grijnst hij.

Woutje Poels, zoals de frêle renner vaak genoemd werd, ging ook zonder voorbereiding met de besten mee omhoog.

Maar nu kan dat niet meer. Hij wil zich laten zien in de Tour de France, tussen de beste renners ter wereld. En die kennen iedere bocht, ieder vlak stuk op de Col de la Madeleine en de Aspin uit het hoofd.

Vorige maand verkende Poels voor het eerst de bergetappes van de Tour. In een hotel aan de voet van de legendarische Madeleine in de Franse Alpen, vertelde hij enthousiast over het belang van de verkenningen. „Als ik straks weet dat er een vlak stuk aankomt, kan ik op de steile klim ervoor net wat extra geven.” Het kan het verschil zijn tussen ‘meespringen’ met de concurrentie, of afhaken.

Een dag later, tijdens de beklimming van de Madeleine, kraakt plotseling de boordradio in de auto van ploegleider Hilaire van der Schueren. Met een hoorbare lach meldt Poels zich. „Hierachter ligt het in vijf stukken.”  Op de eerste kilometers van de beboste hellingen heeft hij zijn ploeggenoten Johnny Hoogerland, Lieuwe Westra, Rob Ruijgh en Rafael Valls snel achter zich gelaten. Van der Schueren grijnst. „Dit is een klimmeke à la Wout.”

De 24-jarige renner uit het Noord-Limburgse Blitterswijck brak vorig jaar definitief door als profwielrenner. Als klimmer viel hij het meest op. De ranke renner van Vacansoleil-DCM reed in de zware Italiaanse etappewedstrijd Tirreno-Adriatico met de besten mee naar boven. Het scheelde niet veel of hij had zelfs een rit gewonnen – hij werd net verslagen door Philippe Gilbert, de beste renner van 2011. In de Ronde van Spanje werd hij tweede in de zwaarste bergetappe. Alleen eindwinnaar Juan José Cobo beklom de gevreesde Angliru sneller dan Woutje Poels.

Dit voorjaar fietste hij nog harder omhoog. Hij eindigde als achtste in de Tirreno en won de witte trui voor beste jongere, reed vooraan in de Rondes van Murcia en Baskenland. En nu lonkt de Tour. Het nationale klimtalent wil zich bewijzen in de grootste wielerwedstrijd ter wereld.

Een talent ben je al snel, als jonge topsporter. Talenten zijn ook snel weer vergeten. Wout Poels weet het. „Ik kan maar twee of drie jaar talent zijn”, vertelt hij een dag voor de beklimming van de Madeleine. Hij is nu drie jaar profrenner. Hij moet dus uitslagen gaan rijden, zoals dat heet in wielerjargon.

De verwachtingen brengen druk met zich mee. „Ze zeggen wel eens: je bent net zo goed als je laatste wedstrijd.” Poels zegt het grijnzend, zelfverzekerd ook. Erg druk maakt hij zich er niet over. Zijn carrièreplanning heeft wel wat weg van zijn aanpak van een lange bergetappe: klim voor klim zo hard mogelijk omhoog en dan kijken waar je uitkomt.

Niet dat Poels geen doel voor ogen heeft. „Ik zou ooit in de toptien van de Tour willen eindigen.” Of nog dichter bij het podium. Nog korter, heet dat in wielertermen. Maar hij is pas 24. Hij is nog aan het ontdekken wat hij echt kan. En de Tour wordt pas zijn derde grote ronde, zijn tweede eigenlijk. In de Tour van vorig jaar werd hij na een paar dagen ziek en haalde hij de bergen niet eens.

In zijn jeugd was Poels geen groot talent. De vlakke Nederlandse koersen lagen hem niet. Hij heeft nog wel eens nachtmerries van de Ronde van de Glazen Stad, bij wijze van spreken. Tussen de Westlandse stoempers was Poels niet op zijn plek. „Een half uur voor de start is het daar al dringen op de eerste rij. Daarna gaat iedereen in volle sprint weg.” De start ging zo hard, net de 100 meter op de baan, lacht Poels. „Dan moesten ze nog 180 kilometer.”

Hij hield ook niet van het dringen in de waaierkoersen, van het roekeloos wringen in het peloton. Hij gooide zijn fiets op volle snelheid niet zomaar voor een collega, in de strijd om een beschut plekje in het peloton. De rest deed dat wel en Poels ging dan maar een beetje achteraan rijden. „Maar dan zat ik vol in de wind, en blies ik mezelf op. Of dan brak het peloton, en zat ik weer in de achterste groep.”

Gelukkig reed Poels bij een ploeg die ook in het buitenland koerste. In Spanje en Frankrijk kon hij laten zien dat hij echt kon fietsen. In de Rondes van Lleida en Léon bijvoorbeeld. Hij genoot van de ritten door stille Spaanse dorpjes, waar het peloton de hoek om slaat en dan ineens recht omhoog moet. Dat waren zijn koersen.

Intussen is de status van Poels in het peloton gestegen. In zijn eerste profjaar zei niemand wat tegen hem, nu knopen de grote renners ineens een praatje aan. Dat was wel even wennen. In de Tirreno keek hij bijvoorbeeld een keer extra om zich heen, toen links van hem Tourwinnaar Alberto Contador reed, achter hem de ervaren Levi Leipheimer en voor hem de Italiaanse vedette Vincenzo Nibali. Daar zat hij toch maar mooi tussen.

Poels heeft zichzelf de afgelopen jaren wel vaker verbaasd. In de zomer van 2010 bijvoorbeeld, toen Van der Schueren hem wedstrijd na wedstrijd liet rijden, terwijl hij gewoon naar huis wilde. Het ritme was slopend en toen hij in een van de laatste etappekoersen een renner zag lossen, hield hij ook zijn benen stil.

Het was mooi geweest, dacht Woutje Poels.

Toen kwam ploegleider Michel Cornelisse naast hem rijden. En vloekte hem naar voren. „Ik ben toen naar het peloton toe gereden, werd achtste in de sprint en eindigde later in de toptien.” Later begreep Poels dat hij had geoefend voor een grote ronde, dat de ploeg wilde zien of hij ook het grote werk aankon.

Poels vertelt dat hij de afgelopen jaren steeds een stapje meer is gaan doen. Steeds meer prof geworden. Zelfs het dringen in het peloton gaat hem nu beter af.

Dat moet ook, straks in de Tour, waar hij tussen de toppers aan de klim moet beginnen om vooraan te eindigen. „Nu weet ik dat je af en toe asociaal moet zijn en je fiets ertussen moet gooien.” In de aanloop naar een berg gaat het vaak zo hard, dat als hij remt, vijftien renners hem voorbij schieten. Twee keer remmen en je bent dertig plaatsen achterop. Soms deinst hij nog terug in de chaos, meestal gaat het goed en begint hij in de voorste rijen aan een klim.

Het wringen gaat zelfs af en toe zo goed, dat Poels zich tegenwoordig ook wel eens mengt in een hectische massasprint. Waar renners met zo’n 65 kilometer per uur schouder aan schouder door bochten razen en iedereen elke kans wil grijpen om vooraan te eindigen.

Geen sprint zonder duwen, zonder afsnijden. Het hoort er allemaal bij. In de afgelopen Ronde van Baskenland werd hij een keer tweede in een eindsprint. „Dan moet je wel een paar capriolen hebben uitgehaald.”

Op de Madeleine is het deze dag nog rustig. Poels fietst met zijn ploeggenoten over stille hellingen, slechts tegemoet gereden door een gele auto van La Poste. De bellen van de bruine koeien in de Alpenweides aan de voet van de berg zijn nu nog goed te horen. Op 12 juli zal het hier vol staan met publiek, zelfs in de afdalingen, waar de renners met 80 kilometer per uur voorbijflitsen.

Poels vindt het geweldig, de juichende mensenmassa die er straks voor zorgt dat hij zelfs zijn derailleur niet meer hoort schakelen. „Tijdens de Tour heb je het gevoel dat de hele wereld om de Tour draait, en ik mag meedoen.”

In zijn eerste profjaar droomde Wout Poels nog van het winnen van een etappe in de Tour de France. Die droom komt steeds dichterbij. „Het wordt allemaal concreter, doordat ik steeds vaker vooraan finish. Nu denk ik wel eens: misschien zit het er wel in.”