AIVD-hulpmiddel tegen terreurangst blijkt denkaansporing, geen draaiboek

Illustratie Koen Smeets

De Damschreeuwer is geen terrorist, maar heeft wel een prominente rol in een terrorismerapport aan de AIVD. De reactie op zijn brul tijdens de Nationale Dodenherdenking in 2010 staat symbool voor de paniek die een echte aanslag met zich meebrengt. Een nieuw beleidsinstrument leert overheden de maatschappelijke impact te beperken.

Hulpmiddel voor onrustbeperkend overheidsoptreden, heet dat instrument. Een lijst aanbevelingen die voortkomt uit het rapport Onderzoek naar de maatschappelijke effecten van bestuurlijk optreden bij terreurdreiging en extreem geweld van het Centre for Terrorism and Counterterrorism (Universiteit Leiden) en het Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement.

Spagaat tussen mensen bedaren en mensen beschermen

Verwacht geen draaiboek crisiscommunicatie. Het ‘hulpmiddel’ spoort voorlichters en beslissers slechts aan om na te denken over hoe woorden en maatregelen overkomen op het publiek. Performativiteit is daarin een sleutelbegrip: de mate waarin aanslagen, dreigingen of antiterreurbeleid het volksgemoed beïnvloeden. De verleiding is groot om het publiek onwetend te houden of incidenten te relativeren, maar de rapporteurs waarschuwen dat de overheid daarmee de regie uit handen geeft. “Hanteer het adagium alles is openbaar, tenzij het de performativiteit aanwakkert”, adviseren zij. “Zorg tevens voor tijdige, open, zorgvuldige en betrouwbare informatievoorziening.”

Dat brengt de autoriteiten al gauw in een spagaat. Na een aanslag of bij een dreiging kan het nodig zijn de beveiliging op te schalen, maar zwaarbewapende eenheden wakkeren wel het gevoel aan dat er iets heel ergs aan de hand is. De terreur, in de Griekse betekenis van ‘een onheilspellend voorteken’ of het Latijnse ‘schrik aanjagen’, wordt op die manier onbedoeld verergerd. Het rapport zegt daarover: “Veiligheidsmaatregelen zoals ontruimingen worden geaccepteerd door de bevolking als die maatregelen in de ogen van het publiek noodzakelijk, proportioneel en rechtvaardig worden geacht. Daarbij is het zaak duidelijk te communiceren over de noodzaak van die maatregelen, temeer zodra het om zichtbare maatregelen zoals de aanwezigheid van de Mobiele Eenheid, het afzetten of ontruimen van een bepaald gebied gaat.”

Geruchten soms bevestigen, maar probeer tijd te winnen

In de communicatie lijkt het een uitgemaakte zaak om de etniciteit van de verdachte niet te noemen. Daarmee stigmatiseer je immers een bevolkingsgroep. Sociale extensivering, zoals de onderzoekers dit noemen. Toch is het rapport mild over de berichten van de autoriteiten na de ontruiming van de Amsterdamse Ikea in 2009 wegens een explosievendreiging. Het rapport gaat een eind mee in de argumentatie dat het melden van de Marokkaanse etniciteit van de verdachten een stroom oncontroleerbare geruchten de pas afsneed. “Maar met communicatie over de ernst van de dreiging en een uitstel van stigmatisering hadden de autoriteiten wel wat tijd kunnen winnen, om vervolgens de aard van de dreiging te kunnen ontzenuwen of niet.”

Ook is er begrip voor het direct melden van de etniciteit van de twaalf Somaliërs die op kerstavond 2010 werden aangehouden wegens vermeende terreurplannen. De komaf zou toch wel uitkomen, aangezien meerdere mensen de Rotterdamse politie-inval van dichtbij mee hadden gemaakt. De onderzoekers noemen het Twitter-bericht van Geert Wilders (“De 12 opgepakte Somalische terreurverdachten zochten volgens mij in NL niet direct naar wat ons verbindt en delen onze waarden vast ook niet”), maar weigeren politici de les te lezen over hoe zij moeten communiceren. Dat is democratisch gezien nobel, maar het suggereert ten onrechte dat politici niet ontvankelijk zouden zijn voor goed advies.

De Damschreeuwer wordt aangehaald als een situatie die helemaal uit de hand liep. “De menigte stoof uiteen en buitelde over elkaar heen, met tientallen gewonden als gevolg. Een aantal mensen liep botbreuken op.” Helaas geven de onderzoekers geen oordeel over de crisiscommunicatie op dat moment en evenmin een analyse van de paniekontwikkeling. Toch valt daar veel over te zeggen. Mensen in de buurt van de ordeverstoorder reageerden redelijk koel, maar zij die verderop stonden maakten zich uit de voeten en vertrapten in hun vlucht andere mensen. De ceremoniemeester probeerde de menigte te kalmeren door de mededeling dat er iemand “onwel” geworden was. In dit soort situaties hebben we weinig aan het ‘hulpmiddel voor onrustbeperkend overheidsoptreden’: hier moet de overheid niet wikken en wegen, maar kordaat handelen in de informatievoorziening. Te beginnen met het grijpen van de microfoon of het vooraf instrueren van de ceremoniemeester - hoewel zijn woorden in dit geval waarschijnlijk een gunstig effect hadden.

Niet sturend. Waarom heet het dan hulpmiddel?

Wat enigszins voor draaiboek door kan gaan is het hoofdstuk ‘De vijf processtappen nader uitgewerkt: denken en doen’. Daar zitten handige tips bij, zoals ‘maak een overzicht van vertegenwoordigers van relevante etnische, culturele en/of religieuze gemeenschappen’, ‘wees terughoudend met het trekken van (historische) vergelijkingen’ en ‘toon medeleven en begrip voor collectieve emoties’.

De basis van het hulpmiddel is nogal traditioneel: alsof alles aangestuurd kan worden via persconferenties van de gezagsdriehoek burgemeester, officier en korpschef. De processtappen zijn bovendien nogal academisch: alsof er tijd is om rustig te studeren op een incident. Erkend wordt dat de praktijk weerbarstig en onvoorspelbaar is, maar nergens worden de wetmatigheden in dat tumult gespecificeerd. De Facebook- en Twitter-activiteit na incidenten is zelfs niet mee genomen in het onderzoek, omdat deze media “geen mogelijkheid hebben in hun geschiedenis te zoeken vanwege privacyoverwegingen”.

Ook leert het hulpmiddel weinig over de journalistieke praktijk, de invuloefening ‘etniciteit, historische analogieën en politieke betekenis’. Terwijl er een handvol journalisten naar de persconferentie gaan, halen honderden collega’s quotes bij ooggetuigen, politici en internettende burgers. Vanachter een tros microfoons is het belangrijk om weloverwogen te communiceren, maar als je niet aanwezig bent op de plekken waar het nieuws vergaard wordt - of niet weet hoe je daar effectief kunt participeren en invloed uit kunt oefenen - dan verspeel je als overheid kansen.

De onderzoekers geven toe niet de ambitie gehad te hebben overheden te instrueren. “Het hulpmiddel heeft geen sturend of normatief karakter. Het is bedoeld om een aantal belangrijke afwegingen / checks onder de aandacht te brengen die de performativiteit van het overheidsoptreden ofwel de onbedoelde maatschappelijke neveneffecten van het optreden beïnvloeden”, schrijven zij in een toelichting. Die bescheiden opstelling is jammer, want een echt en normerend hulpmiddel om angst te bestrijden zou zeer welkom zijn.