Vroeger 'bijzonder', nu 'ADHD'

Pippi Langkous en Pietje Bell waren leuk en eigenzinnig. Nu zou dat ADHD heten. Anna van der Heide plakt bewust geen label op Brammetje.

Filmrecensent

Welkom in het hoofd van Brammetje Baas. Filmmaakster Anna van der Heide kruipt in haar eerste lange speelfilm in het hoofd van een zevenjarig jongetje. Een leuk jongetje. Slim. Grappig. Eigenzinnig. Creatief. Wie zou niet zo’n zoon willen hebben?

Een beetje druk is-ie wel. Hij heeft van die benen die maar niet stil kunnen zitten, omdat benen nu eenmaal gemaakt zijn om te bewegen. En het houdt maar nooit op in zijn hoofd. Met gedachten. En mooie woorden die je wel heel letterlijk moet nemen. En handige uitvindingen. Brammetje is kortom niet alleen heel gewoon, maar ook een beetje apart. Iemand anders had daar al lang een labeltje op geplakt. Maar Anna van der Heide, die na een theateropleiding het filmvak leerde als regieassistent van de overleden Willem van de Sande Bakhuyzen (Cloaca), doet dat welbewust niet.

Waarom Brammetje?

„Het gegeven van drukke kinderen interesseert mij enorm. Ik zie zo veel mensen met kinderen om mij heen worstelen. Wat is normaal? Ligt het aan hen? Moeten ze aan de medicijnen? Ik snap heel goed hoe ingewikkeld dat is. Ik heb een broer die een vaatmalversatie in zijn hersenen heeft. Daardoor heb ik van dichtbij meegemaakt wat het betekent als je niet helemaal in het systeem past.

„Tamara Bos, die het scenario heeft geschreven, heeft zelf een zoontje en een man met een concentratiestoornis. Dus voor haar is het nog persoonlijker. Ze heeft het script echt op haar eigen ervaringen gebaseerd.”

U noemt het een coming-of-agefilm voor kleuters.

„Ik heb er bewust voor gekozen de film voor die jonge leeftijdsgroep te maken. De overgang naar groep drie is iets heel heftigs. Dat weet ik nog van mezelf. Opeens word je geacht je aan een nieuw systeem aan te passen. Dat is voor alle kleuters herkenbaar. Brammetje Baas gaat over een jongetje dat door die overgang, en zijn onvermogen om zich aan dat systeem aan te passen, aan zichzelf gaat twijfelen. En daardoor gaat iedereen aan hem twijfelen.”

De termen ADHD of Asperger vallen niet.

„Ik hoop dat iedereen zo al snapt: ‘Aha, dat is dus zo’n soort kind.’ Want ik wilde niet dat het een probleem was, althans niet aan het begin van de film. Bovendien wilde ik geen standpunt innemen. Ik erger me enorm aan al die discussies in de media waarin alles is teruggebracht tot voor of tegen. Het zal wel aan dit of dat liggen. Er moet meteen een oorzaak of een schuldige worden aangewezen.”

Wordt er te snel een diagnose gesteld?

„Hoe kun je een kind nu al zo jong voor de rest van z’n leven vastpinnen? Meteen maar tot medicatie overgaan, terwijl we helemaal niet weten wat dat op de lange termijn voor gevolgen heeft? Alsof je nooit meer verandert. Ik was vroeger misschien ook wel een dromerig kind, en dat is toch nog behoorlijk goed gekomen. Maar het huidige systeem werkt dat in de hand. Als je ergens maar een stempel op kunt drukken. Dan ligt het ergens aan. Veel is tegenwoordig ingesteld op conformeren.”

Was dat vroeger anders?

„Pietje Bell en Pippi Langkous waren concentratiegestoorde kinderen avant la lettre, maar toen vonden we het leuk en eigenzinnig. En het is helemaal niet zo dat ouders en leraren nu zoveel slechter zijn geworden. Maar er is wel een hoop veranderd.

„Kinderen worden al vanaf hun babytijd gemonitord en als ze niet op het juiste moment lachen of opkijken, trekken ze op het consultatiebureau al meteen een moeilijk gezicht. Door al dat toetsen móéten kinderen ook veel jonger van alles kúnnen. De klassen zijn groter geworden, het speciaal onderwijs is zo goed als wegbezuinigd en door al dat toetsen is de druk op de leraren groter geworden. En heb je weleens gezien hoe verouderd de meeste schoolgebouwen zijn? Ik ben voor deze film op zo veel scholen geweest. Voor volwassenen bouwen we de meest waanzinnige kantoren, maar hier sturen we onze kinderen naartoe!”

Was het ook beter?

„Er was meer inlevingsvermogen. En rust. Er is nu zo veel druk. Ik zie die hele vierentwintiguurseconomie misschien nog wel als het grootste probleem. Als ik me ergens zorgen over maak, dan is het dat alles zo economisch wordt benaderd. Ik denk dat je daar misschien wel kinderen voor hun hele leven mee beschadigt. Alleen al die scène met Egbert Jan Weeber, die invalmeester Mark speelt. Die kijkt eerst maar eens naar dat jongetje om erachter te komen wat híj nodig heeft. Niet oordelen, maar kijken. Dat is een begin.”

En dan?

„Aan de ene kant is iedereen al snel geweldig en hoogbegaafd en enorm getalenteerd. Maar als iemand echt een beetje anders is, schiet iedereen meteen in paniek. Door het consumentisme is iedereen maar bezig om zich te onderscheiden. Maar de mensen die echt anders zijn en zich om wat voor reden onderscheiden, worden al snel tot probleemgeval verheven.

„Zo verliezen we uit het oog dat afwijken ook tot creativiteit en vernieuwing leidt. Voor mij is Brammetje Baas een pleidooi voor empathie en creativiteit, maar ik heb dat niet over de hoofden van die kinderen willen uitspelen. Ik vind humor heel erg belangrijk om te relativeren. Gelukkig is Brammetje ook een volle en vrolijke film geworden.”