Voor altijd Swiebers vriend Malle Pietje

Piet Ekels grootste creatie was Malle Pietje in de tv-serie Swiebertje. Hij deed begin jaren zestig ook de stemmen in Coco en de vliegende knorrepot.

Bretels over zijn geruite hemd, een gekreukeld hoedje op, een boerenzakdoek om de nek geknoopt en vaak een stompe sigarenpeuk in de mondhoek – dat was Malle Pietje, de scharrelaar in bric-à-brac wiens rommelkamertje altijd een hartelijk welkom aan zijn goede vriend Swieber bood, met een koppie thee, een spiegeleitje of een vers sigaartje erbij. „Mot je een sigáár-etje?” vroeg hij dan. Malle Pietje, voluit Piet van Dijk, was de schepping van Piet Ekel, die vanochtend op negentigjarige leeftijd is overleden. Hij was de laatste van de vier acteurs die het middelpunt van de kinderserie Swiebertje vormden. Lou Geels (Bromsnor), Joop Doderer (Swiebertje) en Riek Schagen (Saartje) stierven al eerder.

Piet Ekel kwam als „stemmetjesmaker” en imitator bij de radio, werkte tijdens de bezetting bij de collaborerende Nederlandsche Omroep, waardoor hij na de bevrijding korte tijd werd geschorst, en begon daarna een carrière die in het telefoonboek werd aangeduid als „radioacteur”. Hij speelde mee in vele honderden hoorspelen en amusementsprogramma’s en verzorgde – sinds de komst van de televisie – ook de stemmen in tientallen poppen- en tekenfilmseries, waarvan begin jaren zestig vooral Coco en de vliegende knorrepot populair werd. Voor elk type had hij een bijpassende stem. En zodra op radio of televisie een papegaai te horen was, wisten de insiders dat Piet Ekel weer aan het werk was geweest.

In 1968 werd hij gevraagd een gastrol te spelen in wat de slotaflevering van Swiebertje moest worden. Maar zijn samenspel met Joop Doderer werkte zo goed dat schrijver John uit den Bogaard prompt weer inspiratie kreeg voor een volgend seizoen – en nog zes daarna. Ten slotte hield de serie pas in 1975 op. Ekel ging er prat op dat hij nooit probeerde Doderer de loef af te steken in komisch opzicht: „Dat win je toch nooit.” In plaats daarvan schiep hij een onverstoorbaar bedoenerig kereltje met een eigen prutteltaaltje (de burgemeester heette „meneer de borgemeester”) en de constante supervisie, buiten beeld, van twee brandwachten die de sigaartjes van Malle Pietje scherp in de gaten hielden.

    • Henk van Gelder