Uitverkoopzucht

Wat is dat toch dat we ons overgeven aan de uitverkoop? Schrijfster Sophie van der Stap zoekt naar het antwoord in het oudste warenhuis van Parijs.

Shoppers run into Selfridges as the doors open for the start of the Boxing Day sale at their flagship store on Oxford Street in London December 26, 2011. REUTERS/Stefan Wermuth (BRITAIN - Tags: BUSINESS SOCIETY) REUTERS

Op zoek naar een cadeau voor mijn moeders verjaardag zie ik opeens Denise Baudu, de plattelandsdochter uit de roman van de Franse schrijver Émile Zola Le Bonheur d’une femme door het warenhuis voorbijlopen.

En ik voel me plotseling belachelijk. Ten eerste: naar een cadeau ga je niet op zoek, een cadeau vind je. Alles wat daartussen valt is niet meer dan ‘goedbedoeld’. Ten tweede: het warenhuis verandert mij in een onoplettend ogenblik in een afhankelijk schepsel bereid om uitgaven te doen die aan niemand te verantwoorden zijn.

Ik las de roman van Zola (1840-1902) op vijf minuten lopen van waar het verhaal zich afspeelt; Les Grands Boulevards, het gebied rondom de Opéra Garnier en de warenhuizen Lafayette en Printemps. Ik had Lafayette dan ook in gedachten als het warenhuis waarin dit eind negentiende-eeuws liefdesverhaal zich afspeelt, maar heb later moeten aanvaarden dat het boek geïnspireerd is op het warenhuis Le Bon Marché in Saint-Germain. Verwarrend. Wat blijkt is dat Zola zich inderdaad heeft laten inspireren door de infrastructuur van Le Bon Marché, zonder het aan de infrastructuur van zijn favoriete wijk, die van de Grands Boulevards, te laten ontgelden. Hij heeft het warenhuis als het ware verplaatst naar een andere wijk. Hoe dan ook, Lafayette of Le Bon Marché, we spreken van het eerste warenhuis in Parijs, en zodoende van het eerste massaconsumentisme.

In het boek verhuist Denise, een simpel meisje van het platteland dat nergens in uitblinkt, naar Parijs en vindt in het warenhuis een baan als verkoopassistente, na door een reeks armzalige rotbaantjes uitgeperst te zijn als een citroen in het harde leven van de stad. Het warenhuis is een wereld die in alles ver van haar afstaat: de overweldigende rijkdom, het venijnige geroddel onder de werknemers en de hebzuchtige, vrouwelijke bourgeois die het net geopende warenhuis betreden als ware het Het Paradijs zelf. Als een onschuldige muurbloem houdt zij zich staande en klimt ze stilletjes en eerlijk omhoog. We lezen hoe de kleine winkeliers stuk voor stuk worden opgeslokt door de voorloper van de shoppingmall, maar we lezen vooral hoe de consument zelf en – het moet gezegd – vrouwen in het bijzonder ten onder gaan aan hun eigen koopzucht. Op scherpe wijze beschrijft Zola het psychologische proces dat voorafgaat aan de koopdrang, die ons vrouwen in een ogenblik tot slaaf maakt van onze eigen hebzucht. De directeur van het warenhuis, Monsieur Octave Mouret heeft de vrouw beter door dan zij zichzelf en speelt sluw in op de zwakke plek van zijn klanten. Zo haalt hij niet alleen het geld bij zijn klanten weg, maar dus ook bij alle omringende winkeliers. Mouret is geïnspireerd op de oprichter van Le Bon Marché, Aristide Boucicaut (1810-1877). Het is Boucicaut die achter het succes van het warenhuis schuilt door onder andere de introductie van het samenbrengen van zoveel mogelijke diverse producten op één plek, nieuw voor die tijd.

Je kunt het boek niet lezen zonder plaatsvervangende schaamte te voelen voor de koopzucht die je waarschijnlijk meteen herkent. Deze koopzucht van de dikke salondames verandert hen in destructieve monsters, die direct doen denken aan een andere heldin van Zola: Nana, van de gelijknamige novelle. Alleen ‘eet’ Nana niet haar eigen portemonnee op, maar die van haar bewonderaars, voor wie ze diep van binnen alleen maar minachting voelt. Voelen wij dat ook? Een vorm van minachting voor ons inmiddels verouderde spiegelbeeld? Vanochtend zag het er nog zo kek uit, maar nu? In de schaduw van deze kledingrekken vol met nieuwe, betere creaties? Het is afschuwelijk om toe te geven, maar het gevoel is me niet onbekend. En het is precies dit wat ons onafhankelijke feministen tot afhankelijke schepsels maakt en Octave Mouret wist dat maar al te goed. Hij heeft ons, om het zo te zeggen, bij de ballen.

Poeh, denk je nu misschien; naast deze dames ben ik slechts een amateur in dolle dwazen dagen. Kan zijn. Ook ik zie me niet terug in de klauwen van de koopzieke Madame Marty of Mademoiselle Desforges, een rijke weduwe die aan de Rue de Rivoli, uitkijkend over de Tuileries, salon houdt. Maar toch, ook zoveel herkenning in de dwaze hebzucht van de vrouwen die stuk voor stuk ten onder gaan aan de weelde van het warenhuis. En ook al heb ik nog nooit gekampeerd voor de deur van een winkel om me als eerste te kunnen laten berooien door een nieuwe mode, ik raak toch zeker wel opgehitst door de koopjesjagende vrouwen om me heen zodra de uitverkoopvlaggen weer buiten hangen. Iedereen doet ergens aan mee, en hoewel een egostrelende onverschilligheid op de eerste dag nog zegeviert (je hebt je niet laten verleiden door de gekte om je heen) telt meedoen uiteindelijk toch zwaarder. Liever zijn we met z’n allen zwak en afhankelijk, dan in je eentje sterk en onafhankelijk.

De drang om mee te doen verklaart echter niet alles. Wat is het toch dat maakt dat we zodra de uitverkoopborden buiten hangen met kloppend hart haastig op zoek gaan naar nieuwe kledingstukken? Wat maakt deze nieuwe kledingstukken beter en mooier dan de inmiddels verouderde kledingstukken van vorig seizoen? Is het het plezier om de helft te betalen voor een kledingstuk dat vorige week nog het dubbele kostte? Of is het iets veel diepers, iets veel wezenlijkers dat voorbijgaat aan deze materialistische verlangens? Dichten we misschien het nog onbekende kledingstuk waar we naar op zoek gaan iets wonderlijks, iets heiligs, iets met transformerende krachten toe: als ik dat jurkje heb, dan word ik misschien aangenomen. Als ik aangenomen word, kan mijn prins in de witte Porsche eindelijk voorbijrijden. En als hij langsrijdt, kan mijn leven eindelijk beginnen.

Of zoiets. Aan je eigen tas die al jaren om je schouder hangt, kleeft geen belofte meer. Een nieuwe tas daarentegen zit vol met beloftes en verwachtingen van nog onvervulde verlangens. Eigenlijk wil je dus niet alleen een nieuwe tas, maar wil je ook een paar nieuwe schoenen die je dat nieuwe avontuur, wellicht zelfs een nieuw leven, in wandelen, eentje waarvan de afloop nog niet bekend is. Je weet immers nooit wat er met je gaat gebeuren als je die nieuwe tas om je schouder gooit en uitgaat op je nieuwe hakken. Er hangt een zweem omheen van nieuw, van avontuur, van onvoorspelbaar. Het is precies deze projectie die ons tot het kopen van nutteloze dingen dwingt, dingen die we met ons meeslepen, dingen die ons uiteindelijk gaan tegenstaan omdat ze een stukje zwakte en afhankelijkheid reflecteren waar we ons helemaal niet mee willen associëren.

Als avontuurlijk alternatief zou je natuurlijk ook gewoon een minnaar kunnen nemen, stukken goedkoper (als je de juiste kiest). Maar dan moet je wel wat principes en stress overwinnen. Nee, doe dan maar een verhuizing, daar mag je het tenminste nog over hebben op een bevolkt terras. Te vermoeiend? Te tijdrovend? Tja, vanuit dat perspectief is een nieuwe tas zo gek nog niet: goedkoper dan vakantie – althans voor de Denises onder ons – simpeler en beter voor het geweten dan een affaire en in tegenstelling tot een verhuizing is het zo gebeurd.

Uitverkoop, onder de kwaden de kwaadste nog niet. Maar laat het dan niet zo zijn dat er geen nieuw avontuur aanhangt. Anders moet ik straks echt verhuizen, voor een kledingkast die uitbulkt van de koopjes en teleurstellingen.

    • Sophie van der Stap