'Tegen Appel zei ik: die verf krijg je van mij'

Uit de omvangrijke verzameling van Piet en Ida Sanders stelde Stedelijk Museum Schiedam een expositie samen die zaterdag opent. „Kunst heeft mij in alle opzichten gevoed.”

Lege plekken op de wanden en in het trappenhuis verraden de contouren van de sculptuur van Anish Kapoor, van zijn schilderij van Fontana en van zijn foto-installatie van Gilbert & George. Meer dan honderd kunstwerken zijn opgehaald uit het huis van verzamelaar Piet Sanders en worden vanaf zaterdag getoond in het Stedelijk Museum Schiedam, ter gelegenheid van zijn honderdste verjaardag op 21 september. Maar thuis is Sanders (1912) nog steeds omringd door heel veel kunst: beelden van keramiek en hout in de speciaal verbrede vensterbank – „voor ons ontworpen door Jaap Bakema, net als de stoelen waarop we zitten”. In de eetkamer wordt een bont reliëf van Karel Appel geflankeerd door een Indiase Shiva en achter de gootsteen in de keuken staat een bronsje van Marino Marini. Sanders strijkt er even met zijn hand over: „Ik praat soms tegen mijn kunstwerken, of begroet ze ’s morgens.”

Het eerste stuk dat hij in 1937 kocht was meteen hypermodern, een Karel Appel. „Ik was net beëdigd als advocaat in Amsterdam en Appel vertelde me terloops dat hij van plan was om verf te gaan stelen – hij had geen sou toen. ‘Niet doen’, zei ik, ‘die verf krijg je van mij’.” Het is een van de weinige aanwinsten die Piet Sanders deed zonder zijn vrouw Ida, die hij in 1937 ontmoette; zij overleed drie jaar geleden.

„Het verzamelen hebben we echt samen gedaan – ik kan me niet herinneren dat we ooit onenigheid over een aankoop hadden. Daar is verzamelen ook veel te leuk voor.” Sanders spreekt van „verzameldrift” maar grote bedragen gaf het echtpaar uit principe niet uit aan kunst. Zij steunden liever kunstenaars aan het begin van hun loopbaan. „Op een veiling ben ik nog nooit geweest. Die torenhoge prijzen van nu vind ik een akelige ontwikkeling; voor ons is kunst altijd een plezier geweest, dat wil je niet gecommercialiseerd zien.”

Eind jaren vijftig begon er ook Afrikaanse kunst binnen te komen in het huis te Schiedam – nog ontworpen door Piets vader, de architect en verzamelaar Piet Sanders (1882-1937). Sanders was destijds net benoemd tot hoogleraar recht in Rotterdam, waar hij de juridische faculteit oprichtte die nog altijd zijn naam draagt. „Niet-westerse kunst was toen heel betaalbaar en vormde een mooie afwisseling met de hedendaagse kunst.” Tegenwoordig zijn de prijzen van juist de Afrikaanse kunst vaak enorm gestegen. „Wij hebben geluk gehad en konden daardoor later musea helpen die zulke prijzen niet meer konden betalen.” Thuis is nu geen enkel stuk Afrikaanse kunst meer te zien, alles is overgedragen aan het Afrika Museum – Piet Sanders is duidelijk aan het opruimen.

Dat ‘helpen van musea’ vormt een leidraad in het verzamelen van Piet en Ida Sanders. Hij was bestuurslid bij vele musea, waaronder het Stedelijk Museum Amsterdam, het Kröller-Müller Museum, Museum Boijmans en Beelden aan Zee. „Gek eigenlijk”, lacht hij, „dat ik nooit van belangenverstrengeling ben beschuldigd!” Het privémuseum in Scheveningen hielp hij oprichten als raadgever en goede vriend van stichter en verzamelaar Theo Scholten. „Zo heb ik geleerd als verzamelaar met museumdirecteuren mee te denken, daarom weet ik dat je beter geen voorwaarden kunt stellen als je een schenking doet. Stukken elk jaar op zaal tonen is zelden haalbaar.”

Decennia lang schonk het echtpaar kunst zonder zijn naam daaraan te verbinden. „Het gaat niet om ons”, vindt Sanders nog steeds. Ruim honderd kleinsculpturen van Britse en Amerikaanse beeldhouwers droegen zij over aan Kröller-Müller, dertig stukken van Nicolaas Werkman gingen naar het Stedelijk Museum in Amsterdam. Het Stedelijk in hun eigen woonplaats ontving in de loop der tijd ruim vijftig kunstwerken, waarvan er nu achttien worden geëxposeerd. En de Mondriaan uit 1925 die Ida van haar ouders erfde, is voor vijf jaar in bruikleen gegeven aan het Gemeentemuseum in Den Haag. Ook hun drie kinderen, Martijn, Pieter en Frederique, zijn allen gedreven verzamelaars geworden.

Piet Sanders stond ook aan de wieg van het Nederlands Architectuur Instituut in Rotterdam, waar hij zijn deelcollectie architectuurmodellen exposeerde en later aan doneerde. Zelden is zó terecht de Museummedaille toegekend als in 1997 aan Piet en Ida Sanders en de Zilveren Anjer in 2006. Als hoogleraar legde Piet ook nog een collectie grafiek aan voor de Erasmus Universiteit die inmiddels 1.500 stukken telt en waaruit nu een keuze wordt getoond, parallel aan de expositie in Schiedam.

„Zo’n onderscheiding is een vorm van erkenning die wij niet zochten, maar die we toch heel plezierig hebben gevonden”, zegt Sanders nu. Van groot belang was ook de zogenaamde Lijfrenteconstructie die hij als jurist ontwierp voor de gespreide overdracht van kunst door particulieren aan musea.

De bijna honderdjarige verzamelaar heeft nog altijd een goed gevoel voor humor; licht malicieus merkt hij op dat niet alle musea zijn advies even dankbaar aanvaardden: „Museumdirecteuren kopen vaak behoudend, terwijl ik ze aanspoorde om gedurfdere aanwinsten te doen. Dan kocht ik die werken zelf maar van jonge kunstenaars, en schonk ze meteen aan het museum.”

Hij vertelt hoe hij eens vergeefs probeerde de toenmalig Boijmans-directeur Hammacher te bewegen werk van de Britse beeldhouwer Henry Moore te kopen. „Hij zag er niets in, maar ik nam het vliegtuig naar Londen en kocht een aantal stukken van Moore. Voor een klein werkje betaalde ik toen 10 pond.” De stukken zijn nu een veelvoud van de aankoopsom waard. Grijnzend zegt hij: „Nee, ik heb er niets van geschonken aan het museum. Had Boijmans maar niet moeten slapen!”

Ook het Wereldmuseum komt even ter sprake, waaraan het echtpaar Sanders in de jaren negentig veel Afrikaanse kunst schonk en dat nu de Afrika-collectie willen veilen. „Gelukkig zorgen ze er in het museum in Berg en Dal wél heel goed voor.” Lang wil hij niet stilstaan bij zijn teleurstellingen over sommige musea en hun wantrouwen jegens privéverzamelaars.

Ontmoetingen met kunstenaars zijn altijd een bron van inspiratie geweest voor Piet en Ida Sanders. Al was er niet altijd voldoende budget om stukken van grote namen te kopen, ze zochten altijd het gesprek met hen. Ze arrangeerden zelf bezoeken aan Chagall, Giacometti en Brancusi. „Ze stonden gewoon in het telefoonboek van Parijs, we belden dan op: ‘Wij bewonderen u zeer, mogen we eens op uw atelier komen?’ Meestal mocht dat dan.”

Piet Sanders typeert Marc Chagall als „een heel geestige man” en Alberto Giacometti als „een moeilijke prater – dat was een minder succesvol bezoek”. Met de beeldhouwer Constantin Brancusi klikte het meteen, al was hij ziek en ontving hij hen in pyjama. „Zijn broekspijpen waren veel te lang en voor ik het wist hielp ik hem ze op te rollen en lag ik letterlijk aan de voeten van de meester”, grinnikt Sanders. Brancusi’s werk was toen al ver buiten hun bereik, maar de verzamelaars hebben een prachtige herinnering aan de kennismaking overgehouden.

De jurist Sanders merkt op dat kunst voor hem veel meer was dan mooie dingen om je heen. „Zeker de gesprekken heb ik fantastisch gevonden. Kunstenaars zijn altijd met iets nieuws bezig en op mijn werkterrein – de arbitrage – ben ik ook een vernieuwer geweest. Kunst heeft mij in alle opzichten gevoed.”

De aarde-rode Fontana kochten zij van de Italiaanse kunstenaar Enrico Baj. „Bij hem thuis hebben we dat doek staan bewonderen en op een dag mochten we het hebben, voor 100 gulden! We hebben altijd veel cadeautjes gekregen van kunstenaars.” Appel, Constant, Carel Visser, Jan Schoonhoven, maar ook museumdirecteuren als Willem Sandberg, Ootje Oxenaar en Pierre Jansen – Sanders is met hen zeer bevriend geweest en heeft ze allemaal overleefd. Hij behoort tot de laatsten van zijn generatie en heeft vele stromingen in de kunst zien opkomen en opgevolgd worden door nieuwe.

Piet Sanders was het die namens het Amsterdamse Stedelijk Museum in de tijd dat Sandberg daar directeur was de koop sloot voor het unieke cluster werken van Malevitsj en die de gemeenteraad overhaalde het geld ervoor uit te trekken. Mede daardoor heeft het Stedelijk nu een van de museale topcollecties van de twintigste eeuw, al was de aankoop niet helemaal onomstreden. In 2008 is na een schikking een deel van het werk aan de erfgenamen teruggegeven. Tot zijn verbazing is hij over deze zaak nooit verhoord door de rechter. „Ik deed de onderhandelingen namens het museum. Mijn handtekening staat onder het contract.”

Tot zijn 97ste heeft Sanders actief verzameld, maar sinds zijn vrouw en co-verzamelaar is overleden, is de collectie afgesloten. Er zijn maar weinigen die als Piet Sanders kunnen terugkijken op een leven dat bijna een eeuw lang zozeer werd geïnspireerd door de kunst.

‘Piet en Ida Sanders. Een leven met kunst’. 30/6 t/m 21/10 Stedelijk Museum Schiedam. Erasmus Galerij, Erasmus Universiteit, Rotterdam: ‘Een leven met kunst’, 2/7 t/m 19/10. Inl. stedelijkmuseumschiedam.nl

    • Renée Steenbergen