Pedofilie preken mag niet meer

Juridisch gezien is het verbieden van een vereniging moeilijk. Met het verbod van Martijn wordt de lat lager gelegd.

Folkert Jensma

Juridisch redacteur

Nederland, Den Haag, 2-3-2012. Foto Maarten Hartman. Persconferentie van pedofielen vereniging Martijn in Nieuwspoort. Marthijn Uitenbogaard ( blauwe trui ) en schrijver Anton Dautzenberg. Aanleiding is de civiele rechtzaak die a.s. 7 maart dient. De aanklacht van het Openbaar Ministerie luidt verstoring van de openbare orde.

Het verbod van de pedofielenvereniging Martijn door de rechtbank Assen komt juridisch als een verrassing. In 2009 strandde bij de Hoge Raad een poging om een afdeling van de Hell’s Angels te laten verbieden. Tot nu toe gold dat er sprake moest zijn van ‘structurele’ activiteiten die een ‘ontwrichtende werking’ op de samenleving hebben.

Een verbod mocht alleen ‘terughoudend’ worden toegepast.

Het Openbaar Ministerie had al eerder vastgesteld dat de vereniging Martijn niet als een criminele organisatie kon worden beschouwd. Wel waren de bestuursleden allemaal weleens veroordeeld. Maar in statuten stond dat de vereniging alleen doelen wilde verwezenlijken die zich binnen de wet bevonden. Van de leden, noch van het bestuur waren seksuele delicten in verenigingsverband bekend. Als er al strafbare feiten rondom de vereniging en haar leden waren, was het de vraag of ze de vereniging konden worden aangerekend.

Het is in Nederland maar zelden gelukt om een vereniging te verbieden. Alleen de Nederlandse Volksunie (‘Den Haag blank en veilig!’) is in de jaren zeventig door een lagere rechter verboden wegens racisme. De openlijk racistische CP ’86 is door de rechter wel aangemerkt als criminele organisatie. Tot een gedwongen ontbinding kwam het niet, omdat de organisatie zich zelf al ophief.

Dat lot trof in 2002 wel de ‘Vereniging van Enschedese Cannabisconsumenten’ die door de rechtbank Almelo werd verboden. Dat gebeurde toen op basis van artikel 20 uit boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Voor zo’n civielrechtelijk verbod moest justitie bewijzen dat de ‘werkzaamheden’ van de vereniging in strijd zijn met de openbare orde. Onder werkzaamheden werd tot nu toe vooral feitelijk handelen verstaan. Voor de Cannabisclub was dat destijds niet zo moeilijk. Die probeerde het coffeeshopbeleid in Twente namelijk te ondermijnen door in eigen beheer alleen aan leden softdrugs te verkopen.

Bij de vereniging Martijn was die ‘werkzaamheid’ uit artikel 20 wel een probleem. Eigenlijk deden ze daar niets anders dan met publicaties, interviews en via websites propaganda maken voor pedofilie. Is dat niet vooral het gebruikmaken van de vrijheid van meningsuiting? Of, zoals de Hoge Raad in 2009, nog eens onderstreepte: „Voor een verbodenverklaring moet het gaan om meer dan uit maatschappelijk oogpunt ongewenst gedrag.”

De drempel is dus hoog. Een verbod moet een „noodzakelijke maatregel (zijn) om gedragingen te voorkomen die een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel”. Ook de wetgever wilde dat het verenigingsverbod uit artikel 20 ‘terughoudend’ werd toegepast. Het recht om zich te verenigen is, met de uitingsvrijheid, cruciaal voor een open samenleving. In een democratie moet ieder vrij kunnen zijn om zich te uiten en zich met gelijkgestemden te verenigen.

De rechtbank in Assen stelt in de uitspraak van gisteren echter dat het onder de daden van Martijn ook de „woorden die de vereniging Martijn spreekt of schrijft” rekent. Daartoe werd de website van de vereniging geanalyseerd, en de interviews en publicaties van de bestuursleden. De ‘daden’ van de vereniging, de ‘werkzaamheid’ van Martijn, zijn ook „de woorden die zij schrijft of spreekt”, zegt de rechtbank letterlijk. Wat die vereniging beweert, is bovendien een „ernstige inbreuk op de geldende fundamentele waarden binnen onze samenleving”. Kinderen als lustobject voorstellen en seksueel contact met volwassenen aanbevelen als natuurlijk, ‘druist in tegen onze rechtsorde’. De vereniging draagt verder bij aan „een subcultuur” waarin seks met kinderen normaal wordt gevonden.

Volgens de rechtbank is de „bescherming van de seksuele integriteit van kinderen onmiskenbaar één van de meest wezenlijke beginselen van onze rechtsorde”. Daarom bestaat er ook zedenwetgeving. Weliswaar bestaat er vrije meningsuiting en vrijheid van vereniging, ook voor pedofielen. Maar de ‘werkzaamheid’ van deze vereniging „maakt toch inbreuk op de algemeen aanvaarde grondvesten van ons rechtsstelsel”.

Dat is een nieuwe en vrij ruime interpretatie van het begrip ‘werkzaamheid’ van een te verbieden vereniging. Of de uitspraak van de rechtbank Assen overeind blijft in eventueel hoger beroep is de vraag. Andere rechtbanken die met eenzelfde soort zaak worden geconfronteerd zijn formeel ook niet gebonden aan de interpretatie van de Asser rechtbank. De gerechtshoven en uiteindelijk de Hoge Raad geven ten slotte de doorslag. Als de interpretatie van de Drentse rechtbank wordt gevolgd dan is deze uitspraak een keerpunt. Gebeurt dat niet, dan kan dit een eenmalige afwijkende uitspraak blijven. Voorwaarde is wel dat er nog een flink aantal processen worden gevoerd om verenigingen te verbieden. En dan liefst van verenigingen die de samenleving vooral met woorden dreigen te ‘ontwrichten’.

Het juridisch debat in de rechtspraak over de eisen om een vereniging te kunnen verbieden, is nog maar net begonnen.

Het Openbaar Ministerie was gisteren blij met de uitspraak. Daar wordt de maatschappelijke onrust rond de zedenzaak van Robert M. aangehaald als ‘triest voorbeeld’ van de maatschappelijke onrust rond kindermisbruik. Ook wordt het verbod verwelkomd, niet alleen omdat het de ‘daden’ van Martijn treft, maar ook het ‘gedachtegoed’.

    • Folkert Jensma