Opinie

    • Joyce Roodnat

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet – ik zie invisible art

‘La bohème’ in de regie van Lotte de Beer. Foto Olivier Middendorp

In de Serpentine Gallery in Londen opent een overzichtstentoonstelling van Yoko Ono. Die wil ik zien. Ik ken haar werk alleen van horen zeggen en van plaatjes, ik ben benieuwd naar het echie.

Vreemd. Zeg ik haar naam dan is het antwoord een grijns. Of gegniffel. Of een zucht. Pff, Yoko Ono.

„Hoezo?” vraag ik dan. Wat is er tegen Yoko Ono?

Het antwoord gaat onveranderlijk richting „John Lennon”. Het komt erop neer dat het onuitstaanbaar van haar was dat John Lennon verliefd op haar werd en dat nog bleef ook. En: Yoko Ono heeft The Beatles opgeblazen. Yoko? Oh, no!

Mij lijkt dat te veel eer. Niemand anders dan The Beatles bliezen The Beatles op, daar waren ze al druk mee toen Lennon Ono in 1966 ontmoette. Zeg ik.

En: we kunnen collectief (m/v) jaloers zijn, maar John Lennon mocht toch echt zelf uitmaken op wie hij viel. Zeg ik, verder.

En, o ja, toen Lennon haar ontmoette, was zij al een bekend kunstenaar. Zijn onvoorstelbare roem overschaduwde die van haar, maar haar hand in die Bed-In in het Amsterdamse Hilton is onmiskenbaar. Zeg ik, ten overvloede.

Antwoord: „En toch is ze niet aardig.” Alsof dat een argument is. Over haar kunst gaat het alleen met tegenzin: was zij niet van die film met al die blote billen?

Inderdaad, dat was zij. Ik zie de film in de Serpentine: Bottoms (1967). Close-ups van marcherende achterwerken, ze zijn sterk, zacht en grappig. Optimistisch. In de kunsten wordt optimisme routineus oppervlakkig gevonden. Ono trapt met veel van haar werk koppig tegen dat vooroordeel aan.

Ze is een ras-avant-gardist. In 1964 deed ze Cut Piece, een performance waarbij ze haar eigen lichaam inzette en het publiek provoceerde. Tien jaar later kwam Marina Abramovic ermee en vierde triomfen. In de film van Cut Piece zie ik Ono zitten, op de grond, naast een schaar. Om beurten knipt het publiek beleefde kleine lapjes uit haar kleren weg – totdat een man zich uitleeft op haar onderjurk. Ono wordt zichtbaar nerveus. Hóps, hóps, daar knipt hij op haar schouders haar bh-bandjes door. Zij, kind van haar tijd, slaat haar handen voor haar borsten om de cups op hun plaats te houden.

Had ze haar gêne moeten beheersen? Had ze onaangedaan de smalende schaar moeten ondergaan? Juist niet. Haar gealarmeerde ogen en oncontroleerbare schaamte zijn de essentie van Cut Piece. Ono was de eerste en ze deed iets wat Abramovic nog altijd niet durft: ze zette haar persoonlijkheid in.

Maar nu Yves Klein. Was die eigenlijk aardig, of niet aardig? Misschien was hij een schat, misschien was hij een zak. Niemand die zich dat afvraagt. En zo hoort het.

Klein is het middelpunt van de andere tintelende zomerexpositie in Londen, Invisible: Art About the Unseen, in de Hayward Gallery. De Franse schilder bekreunde zich eind jaren vijftig om onzichtbare kunst. Onzin, zou je denken, maar nee, Klein drukte een punt: in een grijzig filmpje zien we hem een onzichtbaar schilderij ‘ophangen’ en er even naar kijken. Ik krijg de giechels. Het malle is, ik zie niks maar toch zie ik iets. Klein brak met zijn actie een opwekkende manier van denken open. Velen volgden hem.

Kunst speelt zich af in het hoofd van wie het ondergaat. Schilderij, muziek, film, theater, ze enteren de verbeelding, ze koloniseren de gedachten. En dat lukt dus ook als het kunstwerk onzichtbaar is: het bestaat niet en tegelijk bestaat het wel. Zo deed de Italiaan Maurizio Cattelan aangifte van de diefstal uit zijn auto van een onzichtbaar kunstwerk. De aangifte lijstte hij in: Denunzia, 1991 – waarmee zijn onzichtbare kunstwerk onzichtbaar bleef maar wel een feit was geworden.

Nou is een onzichtbaar kunstwerk weliswaar niet te zien, maar je moet er wél iets van merken. Er moet publiek bij. Zo niet, dan is ook de kunstenaar onzichtbaar en dat is beslist de bedoeling niet. Als deze tentoonstelling iets zichtbaar maakt, dan is het de gezonde geldingsdrang van kunstenaars.

En wie is er op Invisible als tweede te zien, na Yves Klein? Yoko Ono, met haar dromerige ‘instructies’ voor schilderijen, al uit 1962. Je leest ze en je ziet ze voor je.

Voor haar nieuwste project, #smilesfilm, verzamelt ze trouwens glimlachjes.

    • Joyce Roodnat