Column

Geparfumeerd populisme

Hoe meer mensen zich in één ruimte bevinden, hoe groter de behoefte aan parfum. Het sociale parfum waarmee wij in dit overbevolkte landje elkaars nabijheid draaglijk maken, heet ‘consensus’. Wij zitten met elkaar opgesloten, en soms ventileert iemand een onwelriekende opvatting.

Eerst klinkt een hartgrondig ‘bah!’, maar als de viespeuk zich niet beschaamd uit de voeten maakt, als het luchtje blijft hangen, komt er een magisch proces op gang: we schikken ons. Sterker, de stank blijkt op een bepaalde manier ook best aangenaam om te ruiken, zoals er in parfums ook vaak feces verwerkt zijn. Dat is waar het publieke debat in Nederland vaak op neerkomt: het parfumeren van ideeën. Zo houden we de sociale ruimte leefbaar.

Bekende parfumeurs uit het recente verleden zijn Frits Bolkestein en Paul Scheffer: in hun geurlab wisten zij de edele bestanddelen van vreemdelingenhaat te scheiden van de minderwaardige, en ze zodanig te raffineren dat er een sociaal aanvaardbare geur ontstond. Zo veranderde het ‘bah!’ van twintig jaar geleden in het ‘uhuh’ van nu. Wat werd gelabeld als ‘xenofobie’ en ‘racisme’ kun je ook ‘immigratiescepsis’ noemen. Je kunt iemand erom voor de rechter slepen, je kunt het ook parfumeren en in je verkiezingsprogramma zetten.

Bij de kunstbezuinigingen: Halbe Zijlstra is natuurlijk een reactionaire carrièrist-schrap-Filistijn, maar zijn bezuinigingsmaatregelen zouden de kunstsector wel ‘aan het denken moeten zetten.’ De drager wordt gedesavoueerd, maar zijn idee is ‘een signaal’.

Sinds kort zie je het ook bij een ander element van het populisme: de ‘zakkenvullerdoctrine’. Alle boven ons gestelden zijn uit op zelfverrijking. Werd deze manier van denken tien jaar geleden door de elite nog vinnig van de hand gewezen als een dom en destructief vooroordeel, als ‘ressentiment’, het blijkt een hardnekkig onderbuikgas, dus inmiddels is de parfumering ter hand genomen.

Bonnetjes, bonussen en belastingpriviliges, een paar jaar geleden waren het nog onfrisse thema’s voor populisten, inmiddels maken ook nette kranten en gematigde politici zich er druk om.

Na decennia van afwezigheid staat sinds kort ook het verschijnsel ‘lobbyisme’ weer op de politieke agenda. Ging die discussie dertig jaar geleden om de stille macht van het grootkapitaal, nu ligt het accent op de persoonlijke integriteit van bestuurders. Maandag zaagde Nieuwsuur minister Schippers (Volksgezondheid, VVD) gekmakend lang door over het feit dat de tabaksindustrie zich laat vertegenwoordigen door een lobby. En, nog erger, in die lobby zit een partijgenoot van haar. Dat kan niet deugen natuurlijk.

De PvdA wil nu dat er een gedetailleerd register wordt aangelegd van alle ‘contacten’ die er zijn tussen ‘politici’ en ‘lobbyisten’. Een potsierlijk staaltje symboolpolitiek. Als ik met mijn Kamerlid mail over het sportbeleid in mijn woonplaats, valt dat er dan ook onder? Ben ik dan aan het lobbyen? Of ik werk bij het Rode Kruis en ik attendeer een Kamerlid op een onzinnige, kosten verhogende wetsbepaling? Of ik ben Kamerlid en ik bel het Rode Kruis met de vraag wat zij van die regeling vinden?

Het is allemaal onderdeel van een sinister machtsspel. Zo wordt het koffiehuisdenken stukje bij beetje salonfähig gemaakt.

Het parfumeringsproces betekent voor de oorspronkelijke stinkerd overigens geen eerherstel. Integendeel: hoe meer PVV-thema’s de politiek parfumeert, hoe groter de afstand die zij neemt van Geert Wilders. Als de poes die na de paring de kater wegjaagt.

Ja, óf je moet voortijdig overlijden, zoals Pim Fortuyn en Theo van Gogh, dan behoort olfactorisch eerherstel tot de mogelijkheden. Een dode omhelst nu eenmaal wat makkelijker.