Bij Andreas de spuitenbroeder stierven de ‘idiootjes’ vrij snel

In Huize Sint Joseph in Heel stierven opmerkelijk veel gehandicapte kinderen. Er kwam een onderzoek naar de misstanden, maar het bleef bij een waarschuwing.

De barakken bij Huize Sint Joseph waar broeder Andreas en zijn jongens sliepen. Foto Historisch Fotoarchief Heel

Ze waren ernstig gehandicapt en meestal niet ouder dan 15 jaar. Broeder Andreas maakte ze dood of liet ze dood gaan. Arts Verstraelen greep niet in en ondertekende de valse overlijdensaktes.

Zo ging het twintig maanden. Na 37 kinderen vertrok de broeder. Wat volgde was een collectief zwijgen dat zestig jaar zou duren.

De verdenkingen in het strafrechtelijk feitenrapport van het parket Roermond, over de sterfgevallen in Huize Sint Joseph in het Limburgse Heel, zijn beangstigend. Het gaat om de ergste misstanden in de onthullingenreeks over geweld tegen kinderen binnen de Rooms-Katholieke Kerk.

Wie dacht alles al gelezen te hebben, wordt verrast. Natuurlijk is het Openbaar Ministerie voorzichtig en wordt gesproken in termen van „waarschijnlijk” en „vermoedelijk”. Maar als de feiten niet verjaard zouden zijn, en broeder en dokter nog zouden leven, dan zou het OM nu een strafrechtelijk onderzoek beginnen, aldus hoofdofficier Peter Muijen. Volgens hem is er „een redelijk vermoeden van strafrechtelijk verwijtbaar handelen”.

Broeder Andreas was een eenvoudige, vrome man, blijkt uit het feitenrapport. Hij was niet gediplomeerd en niet bekwaam om kinderen met een ernstige handicap te verzorgen. De broeder moest in zijn eentje twintig bedlegerigen verzorgen. Vanaf 1952 kreeg hij nieuwe kinderen. Die kwamen uit een overvol gesticht in Schinnen.

Ze belandden in Sint Joseph in een hel. Twintig broeders verzorgden 450 patiënten in een voortdurend gevecht tegen stank, vuil en gekerm. Kinderen waren druk en vernielzuchtig of verlamd, mismaakt en spastisch.

„Wie hier binnen gaat, laat alle hoop varen”, noteerde Andreas in zijn memoires. En over het werk in ‘zijn’ Gerarduspaviljoen, een houten barak: „En van toen aan ben ik mijn eigen weg gegaan. En tot nu toe heb ik er geen spijt van. Natuurlijk met verlof van de plaatselijke oversten.”

Een van hen was overste Johannes. Hij zou in 1958, met andere broeders, veroordeeld worden voor seksueel misbruik van de jongens. De rector, belast met de godsdienstige zorg, deed mee.

Onder het bewind van Johannes kon Andreas zijn gang gaan in Heel. Het OM heeft veel aanwijzingen gevonden dat hij betrokken was bij de dood van de kinderen. In een brief aan de rector schreef arts Verstraelen dat Andreas verantwoordelijk was voor de sterfgevallen, omdat hij waarschijnlijk te veel morfine had toegediend. Andreas was de enige verzorger van de kinderen, van wie het gros kort na aankomst uit Schinnen stierf. Uit de sterftecijfers blijkt dat tussen juni 1952 en januari 1954 veel meer kinderen stierven dan daarvoor. Nadat Andreas overgeplaatst was, daalde het sterftecijfer.

Andreas had medicijnen voorhanden. Het rapport: „Mogelijk morfine en ook voor de aanwezigheid van luminal zijn aanwijzingen gevonden.” Tien jaar eerder was in nazi-Duitsland luminal gebruikt om op grote schaal gehandicapte kinderen te doden.

Volgens het OM wist dokter Verstraelen dat er bij Andreas iets aan de hand was. Hoewel hij telkens verklaringen van een natuurlijke dood uitschreef, zei de arts volgens getuigen dat hij ook niet wist waar veel kinderen aan overleden waren.

In maart 1954 werd Andreas overgeplaatst naar een ander tehuis. Dat gebeurde op het moment dat de Arbeidsinspectie Sint Joseph onderzocht, na klachten van lekenverplegers. Inspectrice Geraedts schreef aan het bisdom over de slechte arbeidsomstandigheden en extreme lijfstraffen. In de nacht moesten patiënten in de kelder lampen maken voor Philips. Ze kregen slaag om het tempo op te voeren.

De Arbeidsinspectie vond de klachten gegrond, maar het bleef bij een waarschuwing „om de katholieke zaak niet te schaden”. Secretaris Sassen van de Voogdijraad zorgde ervoor dat het ministerie van Justitie „geen lawaai” zou maken over de lijfstraffen.

In historisch perspectief was dat niet vreemd. Het waren de hoogtijdagen van de verzuiling. Bisschoppen hadden een welhaast absoluut gezag over het katholieke volksdeel. In 1954 vaardigden ze nog een mandement uit met gedragsregels voor katholieken. Dat werkte door tot in Den Haag. Een hoge, katholieke ambtenaar van het ministerie van Justitie, mr. Berger, bleek in 1954 geïnformeerd over lijfstraffen en nachtarbeid. Hij schreef aan het bisdom dat als er „een goede oplossing” kwam, de minister bereid was „een afwachtende houding aan te nemen en niets tegen Sint Joseph te ondernemen”.

Leendert Donker (PvdA) was minister van Justitie. Of hij van de toestanden wist, is niet gebleken. Volgens het OM correspondeerde ambtenaar Berger met het bisdom vanaf zijn huisadres. Berger was ook medeoprichter en bestuurslid van de Katholieke Verkenners, meldt het rapport.

In Sint Joseph veranderde weinig. Eind 1958 stuurde Geraedts van de Arbeidsinspectie weer een lijst met misstanden naar het bisdom. Voor het eerst memoreerde ze de sterfgevallen: „In 1953/1954 zijn in een jaar tijd 34 patiënten gestorven. In Heel wordt verteld dat ze vermoord zijn. […] Daarna zou men bang geworden zijn en dit ‘bedrijf’ stopgezet hebben.” Ook beschreef ze verhalen over verwaarlozing, slechte hygiëne en zware mishandeling. „In 1958 lag in het ziekenhuis van Roermond Kobus van Voren met een kapotte heup. Volgens de broeders is hij gevallen, volgens de patiënten is hij neergeslagen door broeder Werenfridus.” Een jongen die de ziekenbroeder stoorde bij het televisie kijken, kreeg een grote bos sleutels in het gezicht. In de ‘Philipskelder’ was het nog mis. De werkmeester greep jongens bij de keel tot ze blauw aanliepen. Broeder Albertus sloeg een gehandicapt kind tegen de muur. „Men leert elkaar hoe men de jongens het beste kan slaan of bij de keel kan grijpen.”

Tegen die tijd waren broeder Andreas en overste Johannes al verdwenen, en was het sterftecijfer gedaald. In reactie op Geraedts bagatelliseerde het bisdom de dodengolf. Vicaris-generaal Van Odijk: „Onder toezicht van dokter Verstraelen heeft broeder Andreas waarschijnlijk een ietwat te sterk slaapmiddel gegeven (morphine) aan patiënten welke uit Schinnen kwamen. Deze idiootjes stierven soms vrij snel en ofschoon dokter Verstraelen geen schuld aanwezig achtte, is deze in zich wat domme broeder toen verplaatst. Van moorden [is] zeker niet te spreken.”

En over de patiënt met de gebroken heup: „Een veertigjarige debiel uit Amsterdam met communistische neigingen, scheldt de hele dag, hitst op. (...) De man gleed uit op de natte gang en brak zijn heup!”

Verstraelen schreef aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg over de sterfte. Ook voor hem waren „enige sterfgevallen niet erg duidelijk”. Maar verder geen kwaad woord over de broeder die slechts „een te sterk slaapmiddel” zou hebben toegediend. De inspectie deed niets.

Daarmee leek de zaak afgedaan. Maar de verhalen bleven rondzingen in de jaren die volgden. Hoofdverpleger Nico van Hout zei tegen het OM dat hij in 1969 van de zaak hoorde via een oude broeder. Die vertelde dat Andreas „er twintig had doodgemaakt”. Van Hout kreeg het sterfkamertje te zien. De verpleger gaf het door aan arts Verstraelen. Die zei volgens Van Hout: „Daar stierven alsmaar jongens en ik moest toch op een gegeven moment de doodsverklaringen tekenen, en er maar wat opschrijven.” Er gebeurde niets, hoewel de feiten toen nog niet verjaard waren.

Begin jaren tachtig vernam de opvolger van Verstraelen van de sterfgevallen. Hij controleerde de sterftecijfers en informeerde de directie, zonder resultaat. Na 1985 hoorde de nieuwe directeur Eysink ervan. Het was toen al lang geleden, zei hij tegen het OM. De hele „context” overwegende dacht hij: „Laat maar zitten. Ik heb wel wat anders te doen.”

Eysink wist dat Andreas de „spuitenbroeder” genoemd werd, en ook wel eens „de euthanasieast”. Eysink zei gehoord te hebben dat Andreas compassie had en ze daarom had doodgemaakt. „Andreas sliep in de barakken en de kinderen die het dichtst bij zijn kamer lagen zouden als eerste in aanmerking komen om te gaan hemelen.” De informatie hield hij voor zich.

Ook historica Annemieke Klijn, in 1993 op onderzoek bij Sint Joseph voor haar boek Tussen caritas en psychiatrie, merkte een aantal sterfgevallen op. Tegen het OM zei ze: „Ik heb daar niets mee gedaan omdat de kans van overlijden van de patiënten mij tamelijk plausibel leek.” De onderzoekers troffen tussen haar notities wel een velletje papier aan. Daarop staat het woord ‘euthanasiebroeder’. Met balpen omcirkeld.

    • Joep Dohmen