Column

Wat is Europa? Dat is geloof, hoop en liefde

Hoop. Dat had de naam moeten zijn. Niet euro. Vertrouwen verbruikt. Beloften gebroken.

Hoop. Dat is de beste naam voor de eenheidsmunt die alom verdeling zaait. Niet alleen omdat een hoop munten nodig is om landen én banken te redden. Maar omdat het zegt wat het is: Europa is geloof, hoop en liefde.

In de stroom plannen van regeringsleiders om de euro te ‘redden’ zit één rode draad: het negeren van de lessen uit het hier en nu.

Drie voorbeelden. Allereerst de vorming van een politieke unie waarin de landen van de muntunie intensief samenwerken. Regeringsleiders veronderstellen kennelijk dat zij in zo’n unie wel tot effectieve besluitvorming komen. Dat zij níet van topontmoeting tot crisisdiner strompelen en cruciale beslissingen níet vooruit blijven schuiven. Hoop doet leven, maar de recente stand van crisisbezwering biedt geen aanknopingspunten voor de veronderstelling van geslaagde besluitvorming.

Misrekening twee. Het idee dat alleen Duitsland de sleutel in handen heeft. Politici en (Angelsaksische) media verkondigen stellig dat Bondskanselier Angela Merkel rap akkoord moet gaan met de uitgifte van gezamenlijke euro-obligaties. Duitsland lijkt wel ieders favoriete zondebok én ieders favoriete Macher met de pincode van de geldautomaat. Steeds ontbreekt Frankrijk. Waarom moet Duitsland betalen en doet Frankrijk geen stap naar voren? Liefde moet van beide kanten komen.

Toen het erop aan kwam bij het verdrag van Maastricht (1992) waarin besloten werd tot de euro torpedeerde Frankrijk samen met de Duitse liberale minister van Buitenlandse Zaken Hans-Dietrich Genscher het Nederlandse voorstel voor een Europese politieke unie. Nu is dat het ei van Columbus.

Nu doet Frankrijk een beroep op Duitse (en Nederlandse) financiële solidariteit. Frankrijk heeft een hoge pet op van zichzelf, maar heeft de zwartzaadlanden Spanje en Italië nodig om gewicht in de schaal te leggen. Hoop doet leven, maar Europa is net de echte wereld: wie betaalt, bepaalt.

Illusie drie is Europees bankentoezicht. Het is aandoenlijk hoe politici en centrale banken zich overgeven aan enthousiasme voor uniform toezicht op de grootste 25 banken. Om mee te beginnen.

Zij vertrouwen kennelijk nog steeds op het bankentoezicht dat de afgelopen jaren steevast gefaald heeft. Toezichthouders worden betaald om zich niet te laten verassen door calamiteiten en brokkenmakers. In de aanloop naar de kredietcrisis van 2007 gebeurde precies dat. In de eerste dagen van de crisis velden financiële strapatsen niet een geldgigant uit de top-25, maar de middelgrote Duitse IKB Bank. Tíjdens de kredietcrisis bleken de toezichthouders tekort te schieten in samenwerking (zoals bij de modderige redding van Fortis) en bleken zij elkaar niet te vertrouwen (stiekeme steun van tientallen miljarden aan bijvoorbeeld twee van de grootste Britse banken). En dan moet het nu opeens wel lukken?

De kans op een volgende halfbakken politieke oplossing is de komende dagen te groot: wel toezicht, maar geen geld om een bank te redden of te sluiten. Het eerste kost bijna niks, het tweede een hoop. Bovendien moeten nationale belangen en nationale politieke invloed onderworpen worden aan Europees ingrijpen.

De in Maastricht afgesproken no bail out clausule is inmiddels twee maal geschonden. Eerst om landen te redden, toen voor Spaanse banken. Hoop doet leven, maar het redt geen banken, geen landen, geen euro. Straks gaat alles beter, is het mantra, als het bankentoezicht Europees is georganiseerd.

Gelooft u het? Ik niet.