opinie

    • Frits Abrahams

Tijdverspilling

Vanavond en morgenavond de halve finales van het EK voetbal, zondag de finale, ondertussen het elke dag interessanter wordende Wimbledon, straks weer de Tour de France en de Olympische Spelen – kijkt u ook?

En zo ja, heeft u weleens becijferd hoeveel kostbare tijd u dat kost en wat u daarin allemaal had kunnen doen? Sociale contacten onderhouden bijvoorbeeld, meesterwerken scheppen of bewonderen, uw partner, kat of hond aaien en – niet te vergeten – zélf sporten?

Stel dat we aan het einde van ons leven van de Hoogste Instantie een simpel cijferstaatje uitgereikt krijgen, waarop al die sporturen opgeteld zijn onder het kopje ‘verspilde tijd’ – hoe zullen we ons dan voelen? Misschien zoals ik me voelde nadat ik naar een adembenemende tennispartij van vijf uur had zitten kijken: schuldig, maar voldaan.

Dezelfde mengeling van gevoelens kwam ik tegen in een briefwisseling tussen de schrijvers John Coetzee en Paul Auster, waarvan de Volkskrant onlangs een voorpublicatie bracht. (Het boek heet: Een manier van vriendschap.) Coetzee schrijft dat hij op een zomerse zondag de cricketwedstrijd tussen Australië en Zuid-Afrika op de tv heeft bekeken. „Ik ging er geheel in op, ik was emotioneel betrokken, ik kon me er slechts met moeite van losrukken.”

Aan het einde constateert hij een beetje treurig: „Ik leer er niets van. Ik houd er niets aan over. […] Is sport gewoon net als zonde: je keurt het af maar je geeft eraan toe omdat het vlees zwak is?”

Auster is het met hem eens dat het „een zinloze activiteit is, een tragische tijdverspilling”, niet zozeer een zonde, maar wel „een schuldig genot, of misschien alleen maar een genot”. Verderop maakt hij de vergelijking met een orgasme: „[…] we zien er met genoegen naar uit vanwege het genot dat het ons eerder heeft verschaft.”

Bij Coetzee proef ik meer pure spijt over al die verspilde tijd dan bij Auster. Dat komt misschien doordat Coetzee de motieven waarmee mensen naar sport kijken wantrouwt: is het, ook bij hemzelf, niet vooral behoefte aan heroïek? Auster, die als jongen veel gesport heeft, heeft daar geen last van, althans, niet meer: sport is voor hem „een soort performancekunst”, het schenkt hem veel esthetisch genot.

Wat schreef John Updike, verwoed golfer, er ook weer over in zijn boek Golf Dreams? „Onderwijl bedacht ik dat ik niet echt spijt had van de tijd die ik zelf aan het golfspel had besteed – al vormden die uren samen hele jaren van temps perdu. Wel betreurde ik zonder meer de tijd die ik gedwongen was geweest te kijken naar het spel van anderen.” Dat is weer een andere positie: voor hem voldeed sport kennelijk alleen als hij zelf in actie was.

Ik voel me het meest thuis bij de benadering van Auster. Topsport vind ik vooral prachtig om te zien. Het gaat mij om de combinatie van de schoonheid en het onverwachte. Nooit is te voorspellen hoe al dat schoons afloopt; soms wint de schoonheid, soms de lelijkheid. Dat geeft aan de beste wedstrijden de spanning die onontbeerlijk is.

Soms botst schoonheid op schoonheid. Dan krijg ik het moeilijk. Moet ik voor Nadal of Djokovic zijn? Voor het Duitse of Spaanse voetbalelftal? Ze laten allemaal schitterende sport zien. Dan kruipt er iets irrationeels in mijn waardering, ik kies voor de underdog of voor de sympathiekste. In deze voorbeelden zijn dat voor mij Djokovic en de Duitsers.

Ach, als ik maar geniet.

    • Frits Abrahams