‘Rutger Castricum is een incidentje’

Politiek verslaggever Ferry Mingelen krijgt vandaag de Anne Vondelingprijs. Eerdere laureaat Mark Kranenburg praat met hem over de vermeende trivialisering van de pers op het Binnenhof.

Ferry Mingelen: „De tijd dat een stotterende politicus verkiezingen kon winnen is voorbij.” Foto Floren van Olden

Ferry Mingelen, al bijna dertig jaar het gezicht van de NOS op het Haagse Binnenhof, krijgt vandaag de Anne Vondelingprijs voor politieke journalistiek uitgereikt. Toen NRC-journalist Mark Kranenburg in 1996 deze prijs kreeg, hekelde hij de trivialisering die mede door toedoen van de televisie de Haagse verslaggeving was binnengedrongen. Hoe erg is het nu? Kranenburg zette zich voor de gelegenheid in de ‘vroeger-was-alles-beter-stand’ en ging een gesprek aan met collega Mingelen.

Laten we er maar niet omheen draaien, Ferry. De dertig jaar overziend is het allemaal minder geworden in Den Haag.

Mingelen: „Dat eeuwige gezeur. Het is meehuilen met de wolven in het bos. Ik vind het helemaal niet slechter geworden. Kijk eens wat we hebben: Nieuwsuur, het NOS Journaal, RTL Nieuws zijn goed. En we hebben een heel redelijke pers.”

Neem de collega’s in Den Haag. De meesten houden het al na drie jaar voor gezien. Jij bent een uitzondering.

„Dat bedoel ik nou met meehuilen. Het is helemaal niet waar! Bij de NOS-redactie in Den Haag zitten heel wat mensen al lang op hun post. En op de Haagse redactie van Trouw bijvoorbeeld lopen de mensen ook al lang rond. Natuurlijk zijn er ook journalisten die snel weer vertrekken omdat ze het hier niet interessant vinden. En soms zouden redacties ervoor kunnen zorgen dat mensen langer blijven in Den Haag, want je hebt ervaring nodig. Maar over het algemeen is de berichtgeving uit Den Haag heel redelijk. Ik vind dat je daar niet zo zwartgallig over moet doen.”

Maar kijk dan eens in de wandelgangen van het Binnenhof waar jij je werk moet doen. Die zijn veranderd in een studio voor de pubertelevisie van Rutger Castricum, de Jakhalzen en al die anderen.

„Ik vind het elitair om dat zo te stellen. Er zijn veel tv-programma’s dus je hebt veel camera’s. Nou en?”

Ik bedoel: jij staat daar serieus je werk te doen en dan komt er zo’n jongen tussendoor die aan een politicus vraagt of hij nog geneukt heeft.

„Ja, dat klopt. Daar kijk ik ook van op, soms moet ik er om lachen, en soms is het lastig omdat ze door mijn vragen heenkomen. Maar het is net zoiets als klagen over het weer. Je kan je er aan ergeren, maar het hoort erbij. PowNed is ook niet mijn smaak maar we hebben persvrijheid.”

Maar het idee dat dit ook politieke journalistiek is.

„Hier krijgen de Kamerleden wat ze zelf toestaan. Rutger Castricum is een heel slimme man die af en toe buitengewoon originele vragen heeft, maar soms zijn grenzen niet kent. Ik weet nog dat hij Balkenende kopjes begon te geven bij zijn afscheid. En Balkenende liet dat toe. Tja, dan krijg je ook wat je verdient.”

Als je niet met hem meedoet, word je een Ella Vogelaar die niet op zijn vragen wilde ingaan en volledig voor schut werd gezet.

„Politici moeten er een antwoord op zien te vinden. En je ziet dat ze dat antwoord hebben gevonden. Want als Rutger Castricum of de Jakhalzen nu Rutte tegenkomen doet deze of hij zijn grootste vriend ziet. Daarna gaat hij mee in de vraagstelling. Maar dat is niet interessant voor die mensen. Het verschijnsel gaat wel weer weg. Dit zijn incidentjes langs de weg.”

Maar ze bevestigen wel de dominantie van de televisie in de politiek. Wie het goed doet op het scherm, komt hoog op de lijst.

„Dat is waar. De tijd dat een stotterende, schele politicus verkiezingen kon winnen omdat hij goede ideeën had, is inderdaad voorbij. Als je tegenwoordig mensen achter je wil zien te krijgen moet je in staat zijn met ze te communiceren. Rutte is typisch iemand die past in deze tijd dat media belangrijk zijn. Maar het is niet allesoverheersend. Als je op een andere manier kracht hebt om mensen te overtuigen kom je wel door die camera heen. Kijk maar naar Balkenende. Die heeft een paar verkiezingen gewonnen en vier kabinetten geleid.”

Job Cohen is het slachtoffer geworden van de televisiedemocratie.

„Cohen is slachtoffer geworden van het feit dat hij niet precies wist wat hij wilde en dat is ontmaskerd door de media. Dat voelen mensen. Je kan wel zeggen dat het jammer is dat er televisie is, maar die is er. En als je kiezers wil aanspreken moet je dat via televisie doen. Je hebt briljante mensen die niet op tv overkomen. Voor het vak van politicus is dat tegenwoordig een nadeel.”

Jullie van de televisie zijn dus veel belangrijker geworden.

„Ja.”

En invloedrijker.

„Klopt. Via onze camera’s komen meer dan vroeger politici de huiskamer binnen. En als ze het niet goed doen blijkt dat via onze camera’s.”

Met als gevolg dat het politieke debat niet meer in de Tweede Kamer plaatsvindt, maar aan de tafels van ‘De wereld draait door’ of ‘Pauw & Witteman’.

„Je hebt geen keus. Politici zoeken het medium uit waarvan ze denken dat hun boodschap het best overkomt. Vergeet niet dat Joop den Uyl begin jaren tachtig ook wel eens heeft gekozen voor André van Duin.”

Dat is hem toen niet goed bekomen.

„Het was verschrikkelijk.”

Nu laten politici zich in ‘De wereld draait door’ uitkafferen door Jort Kelder.

„Dat verbaast mij ook wel eens. Maar ook daarvan zeg ik: wil je het veranderen door het te verbieden? Als politici alleen naar dat soort programma’s zouden gaan heb je een probleem, maar ze komen ook naar Nieuwsuur.”

Binnenkort verkiezingen. Goed voor de kijkcijfers?

„Dat is natuurlijk een fantastische tijd en er zullen ook veel mensen kijken. Maar je zegt nu wel kijkcijfers…”

Ik bedoel het niet negatief hoor.

„Nee, maar het komt wel spontaan in je op. Wij werken niet op kijkcijfers. Maar het heeft geen zin dingen uit te zenden waar mensen niet naar kijken. Je weet dat mensen zappen. Wanneer we een onderwerp belangrijk vinden moeten we dat zo brengen en monteren dat mensen niet direct wegzappen. Media zijn niet alleen veranderd, maar ook de mensen in hun gedrag.”