Deze strepen zijn even lang

De frauderende hoogleraren Smeesters en Stapel zijn niet bepalend voor de waarde van de sociale psychologie. Zonder die wetenschap zouden we de mens veel minder goed begrijpen.

Ellen de Bruin

Redacteur Wetenschap

Sociale psychologie – ja, wacht. Dat is die tak van wetenschap waar frauderende hoogleraren zo mediageniek mogelijke onderwerpjes uitkiezen, waar ze hapklare onderzoeksgegevens bij verzinnen die meteen het internet op en de kranten in kunnen. En als ze al eens onderzoek doen, dan bewijzen ze meestal slechts dingen die iedereen hun zo ook al had kunnen vertellen – of waarin überhaupt niemand geïnteresseerd is. Dat is het beeld van de sociale psychologie, nu er voor de tweede keer binnen een jaar een hoogleraar uit dit vakgebied is ontmaskerd wegens ‘schending van de wetenschappelijke integriteit’.

Maar wie even nadenkt, begrijpt dat het zo niet kan zitten.

Waarom zou de samenleving veel geld uitgeven aan een tak van wetenschap die louter draait om fraude en onzin? Dat is ook niet zo.

Maar wat doet de sociale psychologie dan wel? En ontdekken ze er ooit iets belangwekkends, waar de wereld iets aan heeft?

Om met het eerste te beginnen: sociale psychologie onderzoekt grofweg, zoals de naam al zegt, hoe onze psyche wordt beïnvloed door sociale factoren – door andere mensen dus. Hoe mensen niet alleen hun brein zijn, maar ook hun omgeving. Die omgeving (vooral de mensen om je heen) bepaalt voor een groot deel wat je denkt, hoe je je voelt, hoe je je gedraagt. Dankzij de sociale psychologie weten we nu dat dat een heel groot deel is. En dat hebben wetenschappers niet alleen maar beredeneerd, zoals de oude Grieken nog deden, maar ze hebben het in experimenten onderzocht.

Neem de beroemde studies van de van oorsprong Poolse psycholoog Solomon Asch, gepubliceerd in de jaren vijftig. Hij liet studenten, in groepjes van een stuk of zeven, steeds een lijnstuk zien en vroeg hun dan welk van drie andere lijntjes precies even lang was als dat eerste. Op één na alle studenten werkten samen met de onderzoeker – en die medeplichtigen gaven hardop het foute antwoord. Dat leidde ertoe dat die ene student zijn ogen niet meer geloofde: in een kwart tot eenderde van de gevallen gaf hij dan ook maar het foute antwoord. Er zijn prachtige filmpjes waarin je de bedrogen studenten verbijsterd ziet kijken.

Ja, hèhè, groepsdruk bestaat, kun je dan zeggen. Maar de sociale psychologie onderzoekt verder in welke situaties zulke effecten optreden. Wanneer ze sterker zijn en wanneer minder sterk. Zo blijken mensen zich bijvoorbeeld heel snel deel van een groep te voelen, op basis van heel willekeurige factoren. Laat twintig man maar eens een zaaltje binnenlopen waar vier tafels staan met elk vijf stoelen. Er ontstaan direct vier groepjes. En elk groepje voelt zich direct nét iets beter dan een ander groepje. Wanneer dat ‘beter voelen’ belangrijk wordt en wanneer het effect heeft op de manier waarop mensen zich gedragen – dat is óók wat de sociale psychologie onderzoekt.

Noem bijvoorbeeld maar eens één groep bewakers en een andere groep gevangenen, en doe dan de deur dicht, zoals de Amerikaanse psycholoog Philip Zimbardo begin jaren zeventig met zijn studenten deed. Binnen een week vernederden de bewakers hun gevangenen alsof het geen volwaardige mensen waren. Zo eenvoudig is het dus om normale mensen tot slecht gedrag te verleiden, beschreef hij een paar jaar geleden nog uitgebreider in zijn boek The Lucifer Effect. Hij spaart zichzelf er ook niet in: als proefleider bracht hij immers zijn studenten in hun onmogelijke positie – en hij moest er door een buitenstaander op gewezen worden dat de boel uit de hand liep. De onderzoeker was zelf slachtoffer van het groepsproces geworden.

Dat is allemaal al wat ouder onderzoek – het zijn klassiekers geworden. Maar ook de laatste jaren heeft de sociale psychologie nog nieuwe, interessante dingen ontdekt. Hoeveel van ons gedrag onbewust wordt aangestuurd, bijvoorbeeld: hoe je mensen met subtiele priming of framing een bepaalde interpretatie kunt laten maken, een kant op kunt sturen. En hoe slecht mensen zichzelf kennen. Mensen weten meestal niet waarom ze iets doen, schreef de Amerikaan Timothy Wilson in zijn boek Strangers to Ourselves (2004), maar als je naar hun motieven vraagt, verzinnen ze bij hun daden gretig een passend – maar niet per se waar – verhaal.

Een onderzoekslijn die nu populair is, is embodied cognition: het idee dat mensen zich zelfs in hun talige denken laten sturen door puur lichamelijke ervaringen. Mensen vinden een vreemde aardiger als ze zelf een kop warme koffie vast hebben – ze hebben dan warmere gevoelens voor die persoon. Zoiets kun je afdoen als louter ‘een grappig weetje’, maar dan ga je voorbij aan het bredere, achterliggende idee: dat ons denken heel breed voortbouwt op het hebben van een lichaam (en dat een computer, bijvoorbeeld, dus de ervaring mist om dat perfect te simuleren). Dat grote beeld van hoe de mens is, geëxtrapoleerd uit al die kleine weetjes en samengevat in grote theorieën, dat is waar het om gaat.

Dat mensen sceptisch zijn over psychologie als wetenschap, is trouwens niet nieuw. Scott Lillenfeld van Emory University, Atlanta, zette er deze maand precies een jaar geleden een artikel over online bij het vakblad American Psychologist – vóór de Stapel-affaire dus al. Daarin beschreef en ontkrachtte hij verschillende punten van kritiek: dat psychologie onwetenschappelijk zou zijn, puur common sense, geen exacte voorspellingen kan doen, geen repliceerbare resultaten oplevert, geen nut heeft. Allemaal onzin. Dankzij de sociale psychologie zijn er allerlei veelgebruikte intelligentie- en vaardighedentests ontwikkeld, weten we dat het geheugen feilbaar is (bijvoorbeeld van belang bij ooggetuigenverslagen), dat leugendetectors niet werken, dat mensen lang niet altijd rationele keuzes maken (zoals economen lang gedacht hebben), enzovoort.

En dankzij de sociale psychologie weten we ook dat mensen vaak geneigd zijn sociaal psychologische onderzoeksresultaten af te doen met ‘wist ik allang’. En dat ze van het tegendeel dan ook ‘wist ik al lang’ zouden hebben gezegd, trouwens. Ja, ook dat is onderzocht. En het past in het grote beeld dat de meeste mensen liever niet nadenken dan wel.

    • Ellen de Bruin