De schoolarts, voor obesitas en klein puberleed

Kinderen komen bij de schoolarts, maar kwetsbare pubers raken uit beeld. Daarom komt er een pubercheck.

Rotterdam. Kinderen zien als ze jong zijn aan de lopende band artsen van de overheid. Tot ze vier zijn, gaan ze vijftien tot zeventien keer naar het consultatiebureau. Op de basisschool nog eens twee keer. Ten slotte komen dertienjarigen nog een keer bij de schoolarts of verpleegkundige. Maar daarna is het afgelopen.

Terwijl juist pubers een ingewikkelde tijd doormaken. En dus moeten zij voortaan ook naar de schoolarts: op hun vijftiende. „Ik zeg altijd: ze worden opnieuw geboren”, zegt Janine Bezem over pubers. „Ze raken uit het zicht van hun ouders en hebben geen vaste leerkracht meer. Tegelijkertijd worden de risico’s groter; het leven lokt.” Bezem is afdelingshoofd jeugdgezondheidszorg bij de GGD Gelderland-Midden in Arnhem.

GGD Nederland is daarom gelukkig met het extra geld om pubers een gesprek aan te bieden bij een arts of verpleegkundige op school. Er komt 26 miljoen euro beschikbaar om te voorkomen dat kinderen te dik worden. Dat maakten minister Schippers en staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten maandag bekend. Een groot deel daarvan wordt besteed aan het pubergesprek. Zo’n „extra contactmoment” voorkomt dat klein adolescentenleed kan uitgroeien tot ernstige problemen.

Maar als het gaat om het bestrijden en voorkomen van overwicht is het zeer de vraag of deze maatregel doelmatig is. Dat zegt kinderarts Remy HiraSing, hoogleraar jeugdgezondheidszorg aan het VU Medisch Centrum in Amsterdam. „Op die leeftijd zijn slechte gewoonten al een vast onderdeel van het patroon.” Inmiddels is één op de zes kinderen in Nederland te zwaar. Bij het laatste onderzoek door de schoolarts, als kinderen dertien zijn, moet problematisch overgewicht wel al vastgesteld zijn, zegt HiraSing. Als ze dan te zwaar zijn, zet het vaak door. En het is beter om zo jong mogelijk gezonde gewoontes aan te leren. De oorzaak van overgewicht bij kinderen is vrijwel altijd gelegen in het soort voedsel dat ze van hun ouders krijgen en het bewegingspatroon dat ze aangeleerd krijgen.

Een ander probleem met dit soort onderzoek is dat een deel van de kinderen niet komt opdagen – het onderzoek bij de schoolartsen is vrijwillig. En uit de praktijk blijkt, zegt HiraSing, dat juist de kinderen die weg blijven relatief vaak problemen hebben. Hoeveel dat er zijn, en of daarmee de zin onder de maatregel wegvalt, is niet onderzocht.

De vraag is of de voorgestelde maatregelen de beste manier zijn om 26 miljoen euro te besteden om overgewicht tegen te gaan. Minister Schippers moet het antwoord schuldig blijven. Haar woordvoerder zegt dat bij het nemen van dit besluit niet is onderzocht of andere manieren om overgewicht tegen te gaan effectiever zijn. Ook heeft de minister geen concrete doelstelling geformuleerd voor de maatregel: hoeveel kinderen hoeveel moeten afvallen binnen hoeveel tijd. Dat is altijd lastig bij preventieve gezondheidszorg, laat de woordvoerder weten. Er gaat ook geld – hoewel veel minder – naar het stimuleren van scholen om gezondere voeding te verkopen, naar sportinitiatieven en extra voorlichting.

De GGD, waar de schoolartsen onder vallen, vindt het pubergesprek nuttig voor veel meer dan alleen het bestrijden van overgewicht. „Als je kinderen laat tobben, kunnen ze depressieve stemmingen krijgen.”

Ze somt verschillende voorbeelden van problemen op die zo aan het licht kunnen komen. Bijvoorbeeld jongeren die niet van school wegblijven omdat ze ziek zijn, maar omdat ze worden gepest of omdat er thuis problemen zijn. Dat ze denken dat ze een geslachtsziekte hebben omdat hun vriendin dat ook heeft en zij hetzelfde vriendje hebben gehad. Bezem: „Onze taak is te laten blijken dat wat jongeren doormaken normaal kan zijn op hun leeftijd. Daar hoeft niet altijd dure jeugdzorg aan te pas te komen. Jongeren hebben vooral behoefte aan tips en advies.”

    • Elsje Jorritsma
    • Arjen Schreuder