Boos op de vrouw in het badhok

Is de grote theaterregisseur van de toekomst nou opgeleid in Maastricht of Amsterdam? Kester Freriks bezocht de afstudeervoorstellingen van beide regieopleidingen op het ITs Festival in Amsterdam en toetste ze op de criteria toegankelijkheid, engagement, decor en kostuum, visie en spelregie. Daarna volgt Freriks slotoordeel.

‘Spraakwater’ van de Maastrichtse regisseur Frank Siera. Foto Ogen-Blik

Op de Toneelacademie Maastricht wordt veel waarde gehecht aan de ambachtelijkheid van regie en spel. De school scoort bijvoorbeeld hoog als het gaat om dictie van de acteurs. Over regisseren stelt de school het volgende: „Regisseren is communiceren. Je moet jouw visie kunnen overbrengen op anderen.”

Engagement viert hoogtij in Echo van Wendy Hoogendijk. Op een dag is Maarten, een vertrouwde Rotterdamse straatkrantverkoper, verdwenen. Waar is hij gebleven? Hoogendijks voorstelling is een speurtocht naar zijn werkelijke leven. Goedbedoeld van oprechte intentie, maar de spelregie schiet tekort. De spelers verliezen het van de videobeelden van de echte Maarten. Zijn authenticiteit overschaduwt het toneelspel. Het is in artistiek opzicht een levensgevaarlijke keuze om als spelregisseur een beroep te doen op videobeelden.

Toegankelijk en ambachtelijk is het muzikale Spraakwater van Frank Siera. De ballonnen vol water symboliseren de zee, waaruit de man komt. De spelers uiten zich in poëtische termen over deze raadselachtige pianoman, zoals: „Dit is het zwijgen van zout in de wonden/ het zwijgen dat, ondanks zichzelf, schreeuwt.” Siera deed, voordat hij afstudeerde, eerdere regies. Hij heeft een voorliefde voor teksttoneel waarmee hij het publiek wil verrijken met „andere ideeën, onverwachte emoties”, zoals hij in een interview met het vakblad Theatermaker zegt. Zijn ervaring met gebruik van muziek, kostuums, decor en spelregie is groot. Toch wil de toeschouwer meer van toneel. Lef, visie, ontroering, jeugdige branie.

Collection van Suze Milius is puur bewegingstheater. In het decor van een zwembad bewegen zeven figuren zich op groteske wijze. Ze wringen zich met zijn allen in een badhokje. Mannen kleden dames met hun ogen uit. Iedereen staat onwennig in badpak. De spelregie is gewaagd, maar engagement en toegankelijkheid ontbreken. De voorstelling is strikt particulier. En bevat in ambachtelijk opzicht een grote fout: op een gegeven moment verdwijnt een vrouw in het hokje. Alle spelers beginnen op de wanden te bonken. Waarom? Wat gebeurt er met de opgesloten vrouw? Is er een reden voor deze plotse woede? Het blijft gissen. Volgens criteria van toegankelijkheid, spelregie en ambachtelijkheid is dat een ernstig tekort. De toeschouwer verliest hierdoor de greep op de voorstelling en gaat zich afvragen wat de regisseur wil vertellen. Ik begrijp dat het gaat om de spanning tussen individu en groep. Maar dan? Ik snak ernaar te weten wat er met die ene vrouw is gebeurd. Een toneelstuk moet afgerond zijn.

Regisseur Bram Jansen heeft een uitgesproken visie. Dat maakt zijn gedragswetenschappelijke versie van Strindbergs Freule Julie ongekend spannend. De beeldschone freule en de arme knecht zitten opgesloten in een kleine keuken. Het publiek kijkt ernaar als naar een kijkdoos. Ondertussen vertelt een kalme stem, als in een natuurdocumentaire, over de biologie van dat vreemde wezen dat „mens” heet. Dat gaat zo: „De vrouw ontbloot haar tanden. Dat doet ze om het mannetje uit te dagen.” En: „Het mannetje bevecht zijn positie in de hiërarchie.” Deze voorstelling bewijst dat als visie er eenmaal is, spelregie en toegankelijkheid als vanzelf komen. Kijken naar Julie is zonder meer briljant.