'We kunnen prima zonder kernenergie'

In de rubriek ‘Chavannes ontmoet’ spreekt politiek commentator Marc Chavannes regelmatig met belangwekkende mensen rond de politiek. Vandaag: bestuursvoorzitter Jeroen de Haas van Eneco over de markt, duurzame energie, windmolens, kerncentrales en kolencentrales.

Nederland, Rotterdam, 26-12-2012 Jeroen de Haas, Voorzitter Raad van Bestuur Eneco PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Roger Cremers - 2012

Wat heeft marktwerking in de energievoorziening Nederland gebracht?

Jeroen de Haas: „Bij het begin van de marktwerkingsoperatie in Europa ging men ervan uit dat het systeem van energievoorziening stabiel was en zou blijven. Marktwerking zou service en efficiency verbeteren en de kosten verlagen. Zo kwam men tot splitsing van netwerk en levering: men zag de infrastructuur als platform voor producenten en leveranciers. Toen een fusie van Nuon en Essent speelde, en men veronderstelde dat die samen in een groter Europees bedrijf zouden opgaan, wilde Den Haag voorkomen dat de netten naar het buitenland werden verkocht. Men wilde ook niet dat producenten als leveranciers misbruik konden maken van hun monopolie op de netten. Neutrale netbeheerders zouden open toegang tot die netten garanderen. Zo zou je optimale marktwerking krijgen.

„Er waren destijds geen incidenten die wezen op misbruik van dat monopolie bij ongesplitste concerns. Dat was op een andere en naar nu blijkt effectieve manier wettelijk al afgedekt. Toch heeft minister Van der Hoeven (Economische Zaken, CDA) die splitsing doorgezet. Wij zijn het enige land in Europa dat splitsing op distributieniveau wettelijk heeft afgedwongen. Nuon en Essent zijn gesplitst en vervolgens zijn de leverings- en productiebedrijven verkocht, allebei aan buitenlandse concerns die zelf niet zijn gesplitst. Dus het misbruikargument woog kennelijk niet zo zwaar. Die nieuwe eigenaren hebben monopolies in hun portefeuille en concurreren met die kracht op hun balans op de Nederlandse leveringsmarkt. Distributienetten geven stabiliteit die je nodig hebt als je op de lange termijn wilt investeren in productie- en leveringszekerheid, maar vooral ook in decentrale, duurzame opwekking. De toekomst van de energievoorziening ligt in lokale, duurzame productie, die met behulp van slimme netten wordt herverdeeld. Het is één ongedeeld systeem.

„Ik zie in Europa vooral een weg terug. Overheden interveniëren steeds meer in de energiemarkten, en dat is niet vreemd, want het raakt een groot maatschappelijk belang. Denk aan de discussie in Duitsland, Ausstieg uit kernenergie en aandacht voor duurzaamheid – een goede ontwikkeling, maar wind en zon geven onvoorspelbaarheid over hoeveel en wanneer capaciteit op het net komt. Precies hier ligt de basis van een enorme verandering van onze energie-infrastructuur die inmiddels Europees is. Een van de grootste infrastructuureigenaren in Duitsland is TenneT, eigendom van de Nederlandse staat. TenneT staat voor een zware investering en vraagt of de Duitse overheid daar dekking voor wil geven.”

Heeft de Nederlandse belastingbetaler er belang bij om de netten in Duitsland te moderniseren?

„Het is van belang dat er open verbindingen zijn tussen de Duitse en de Nederlandse energiemarkten. Als TenneT daaraan kan bijdragen, prima, maar niet voor miljarden. Een ander belang van de Nederlandse burger om in Duitse netten te investeren, zie ik niet. Het economisch draagvlak voor dit soort investeringen moet bij voorkeur door het land zelf worden opgebracht.

„Tegenwoordig wordt onder infrastructuur alleen netten verstaan, maar alles hangt met alles samen. Als men in groten getale windmolens op zee in Noord-Duitsland neerzet, heeft dat grote invloed op de hoogspanningsnetten. Als het ’s nachts hard waait in Noord-Duitsland komt dat via de interconnectie gewoon de Nederlandse markt op. Dat moeten wij opvangen, met flexibiliteit. Dan moeten wij ook in Nederland een productieapparaat hebben dat daar snel op kan reageren.”

Kán de Nederlandse overheid nog energiebeleid voeren?

„Toen die marktwerking kwam, leek de gedachte: we creëren een paar globale prikkels en dan doen de bedrijven wel het juiste. Dat blijkt niet of zeer moeizaam te werken als het systeem zo sterk verandert als nu. Daarom zie je dat alle overheden de neiging hebben te interveniëren in de energiemarkt. Zie Duitsland en Frankrijk. Als je deze ontwikkelingen overziet, wordt des te onbegrijpelijker waarom in Nederland is gekozen voor afsplitsing van de distributienetten. Dat soort maatregelen passen niet in de huidige context en zijn contraproductief. Het feit dat energiebedrijven op de markt zijn gezet, betekent niet dat hun doelen minder maatschappelijk worden. Ik pleit niet voor een teruggang naar de situatie van vóór de liberalisering, maar wel voor een veel hechtere samenwerking tussen overheid en bedrijven om maatschappelijke doelen te halen zoals leveringszekerheid, betaalbaarheid en verduurzaming. Een dergelijke samenwerking was destijds ook de basis van het succes voor de Nederlandse gasvoorziening, toen ‘Slochteren’ was ontdekt. Bij gas staat continuïteit van levering aan de Nederlandse burger en bedrijven voorop, ook als de Nederlandse voorraad ophoudt. Daarom investeert Gasunie in een LNG-terminal. Oorspronkelijk paste dat niet bij zuiver netbeheer, maar het verzekert wel de levering van gas op de Nederlandse markt. Dus het is goed dat Gasunie dit doet.”

De Rekenkamer is niet overtuigd van het nut van alle investeringen in de Gasrotonde – een ondergrondse opslag – en rangeerterrein voor buitenlands gas.

„Voor een land als Nederland is het belangrijk om goed aangesloten te zijn op een Europese gasinfrastructuur, zeker met het opraken van onze eigen gasvoorraden. Ik vind het als basisidee goed dat de Gasunie daar een belangrijke rol in wil spelen. Je moet je wel telkens afvragen of een investering bijdraagt aan dit doel. Daar zijn in het verleden wat al te globale keuzes gemaakt. Voor leveringszekerheid is minstens zo belangrijk dat er genoeg bedrijven zijn die verstand hebben van inkopen, opslaan en leveren van gas. Met de verkoop van twee van de vier Nederlandse energiebedrijven is ook de kennis en kunde in Nederland minder geworden. Daarmee hebben we ons kwetsbaarder gemaakt.”

Nuon en Essent, de twee verkochte bedrijven, waren provinciaal en gemeentelijk eigendom. Was dát een probleem, maakte dat verkoop noodzakelijk?

„Overheidsaandeelhouders, eventueel in een mix met institutionele beleggers, vormen een goede basis. Aandeelhouderschap door lagere overheden gaf een uitstraling van rust en stabiliteit. Twintig jaar geleden dacht men dat het niet uitmaakt wie je aandeelhouders zijn. Daar komt men in het buitenland van terug. Over de beursplannen van Scandinavische energiebedrijven als Dong en Vattenfall hoor je niet meer. De Nederlandse bedrijven kunnen in ongesplitste vorm veel meer doen voor duurzaamheid dan wat er nu met de opbrengst van de verkoop door gemeentes en provincies kan worden gedaan.”

Is het bouwen van kolencentrales in Nederland nodig?

„Ik zie geen maatschappelijk belang in de huidige marktverhoudingen. Op korte termijn creëert het overcapaciteit op de Nederlandse markt. De overheden zeggen: dat betekent lage prijzen voor de klant. Het tegendeel op lange termijn. Dan worden bedrijven huiverig om te investeren in productie – duurzaam of niet. Dat schept op termijn ondercapaciteit. De risico’s gaan omhoog.”

Welke concrete maatregelen in een nieuw regeerakkoord kunnen duurzaamheid bevorderen?

„De Splitsingswet intrekken. De reeds gesplitste netbedrijven de ruimte geven in duurzame productie te investeren, om de productieketen weer te sluiten. CO2-prijzen, desnoods op nationaal niveau, zo beïnvloeden dat de schoonste centrales draaien, en niet de smerigste zoals nu het geval is – dat betekent een bodem in de CO2-markt van minimaal 20 euro.”

Het bouwen van kolencentrales stoppen?

„Je doet dat bijna met zo’n maatregel al. Stelselmatig ontmoedigen en de kosten van uitstoot doorbelasten heeft mijn voorkeur. Verder zou ik privatiseren van een minderheid van TenneT en Gasunie toestaan om de noodzakelijke investeringen te doen in de verduurzaming van de energie-infrastructuur. Praktisch en fiscaal mogelijk maken dat klanten die decentraal energie opwekken tegen betaling kunnen terugleveren aan het net. En we moeten terug naar een energieministerie. Dat moet met iedereen aan tafel kunnen zitten en zeggen: hoe gaan we dat regelen in Nederland?”

Welke rol kunnen burgers spelen in de energietoekomst van Nederland?

„Een grote rol. Dankzij de technologische ontwikkeling wordt de kostprijs van lokale energie steeds lager. De mogelijkheid voor mensen om zelf te investeren in duurzaamheid groeit enorm. We gaan van grote centrales ver van het gebruik naar een energievoorziening dicht bij de gebruiker.”

Sommigen zeggen: we kunnen kernenergie als tussenstation niet missen.

„Voor Nederland is dat niet waar. Voor sommige delen van de wereld en Europese landen die zich afhankelijk hebben gemaakt van kernenergie misschien wel. Nederland heeft voorlopig al overcapaciteit. We kunnen kernenergie hier missen als kiespijn uit een oogpunt van leveringszekerheid, betaalbaarheid en duurzaamheid.”

In Drenthe wil men windmolens bouwen in een stille streek. De boeren kunnen eraan verdienen. De stiltewinkeliers vrezen het tegendeel. Moet je windenergie niet op land vermijden?

„Nee. Op zee is voorlopig nog erg duur, dus we kunnen wind op land niet missen. Lokale gemeenschappen reageren kritisch als het over hen en zonder hen gaat. Begrijpelijk en terecht. In Scheveningen staat een windmolen van ons bij de haven. Toen er nieuwe wieken op moesten, hebben we de buurt gevraagd: ‘Willen jullie mee-investeren? Dan wordt het ook jullie stroom.’ Dat is gelukt. We hebben obligaties uitgegeven die voor een deel door bewoners zijn gefinancierd. Wij zorgen dat-ie veilig blijft draaien. Energieproductie is in wezen van de gemeenschap, lokaal of nationaal. Daar passen geen energiebedrijven bij die alles uit een ver hoofdkantoor doen. In de energiesector zijn de investeringen voor de té lange termijn, de planning moet in nauwe samenwerking tussen overheid en energiebedrijven gebeuren. Burgers vragen hetzelfde als honderd jaar geleden van energiebedrijven: betaalbaar, betrouwbaar en met zo min mogelijk negatief effect op onze leefomgeving. Daar is geen spat aan veranderd, met of zonder marktwerking.”

    • Marc Chavannes