Vredig Guantánamo Bay

De beruchte naam van de Amerikaanse marinebasis op Cuba roept direct beelden op van naakte mannen met zakken over het hoofd: de strijd tegen het terrorisme. Fidel Castro zou de Amerikanen het liefst direct zien verdwijnen, maar hoewel Obama aankondigde de basis op te doeken is daar nog geen sprake van.

Ik tuur vanaf het dakterras van Hotel Caimanera, nippend aan een mojito, naar het gewraakte stuk land. In een kleine expositieruimte met luchtfoto’s heb ik net kunnen lezen wat er aan de andere kant van de baai te zien is. Door mijn verrekijker komen het ziekenhuis en het restaurant in beeld; de gebouwen zouden zo in een luxe resort kunnen staan. Op de top van de heuvel staan windmolens en hier en daar een Amerikaanse vlag.

Veel actie zie ik niet door mijn simpele vogelkijkertje. Vanaf zo’n kilometer afstand blijft het ook de vraag waar de gevangenis precies ligt. In de expositieruimte wordt daar met geen woord over gerept en gaat het vooral over de militaire positie van de Amerikanen. De Cubanen zijn als de dood voor het machtsvertoon met marineschepen en ‘spionerende’ helikopters en hebben langs de grens talloze uitkijktorens en legerposten neergezet.

De Cubaanse regering zette twintig jaar geleden ook dit driesterrenhotel in de buurt neer, om met de marinebasis toeristen te kunnen trekken; 23 kilometer van de stad Guantánamo, in het rustige dorpje Caimanera, met uitzicht op de adembenemende Guantánamo Baai.

Het blijkt echter niet erg makkelijk om er te komen. „Je wilt naar Caimanera?” vraagt de medewerkster van het reisbureau, als ik in de nabije stad aankom. „Het kost minimaal drie dagen om de papieren te krijgen.”

Op de dag van vertrek is het nog een hele klus om een taxichauffeur te vinden die gek genoeg is om alle controleposten te trotseren. Een protserig type vraagt 60 euro voor heen- en terugreis, maar uiteindelijk vinden we een chauffeur in een gammele Lada, die het voor minder dan de helft doet.

Na een autorit van een half uur, voelt de aankomst in het hotel bijna als een overwinning. Samen met mijn partner ben ik de enige gast. Andere toeristen konden het geduld blijkbaar niet opbrengen. Veel is er ook niet te doen: we kunnen zonnebaden tussen de palmbomen, een potje basketballen – als er een bal zou zijn – en eten in het ruime restaurant.

De dorpelingen in Caimanera genieten minder luxe, in hun aftandse woningen. De laatste orkaan liet weinig over van de ooit glorieuze haven. Ik tuur nog maar een keertje door de verrekijker richting de groene heuvels. Het wordt donker en stil, met enkel het geluid van krekels en het water. Een waar paradijsje – alleen verstoort door het cirkelende zoeklicht, de uitkijktorens en de hoge hekken.