Column

Tegenslag

Met grote ontsteltenis heb ik kennisgenomen van de nieuwe fraudeaffaire in het wetenschappelijk onderzoek. Het is niet alleen een klap voor de Erasmus Universiteit en voor de sociale psychologie als wetenschap, maar ook en vooral voor mij als mens in het algemeen en echtgenoot in het bijzonder.

Een van de onderzoeken van de betrapte Belgische hoogleraar Dirk Smeesters resulteerde namelijk in zijn opzienbarende ontdekking dat mensen met een slordig bureau efficiënt werken. Dat is iets wat ik thuis al sinds jaar en dag beweer om de hemeltergende rotzooi op mijn bureau en in mijn werkkamer te rechtvaardigen. Overal hopen zich kranten en boeken op, in scheef wegzakkende en slingerplantachtige formaties, waarachter ikzelf als mens (en ook als echtgenoot) steeds meer schuilga, wat ook wel zijn voordelen heeft.

„Je moet het zelf maar uitmesten”, zegt mijn vrouw steeds moedelozer.

„Dat is nou net de bedoeling”, zeg ik, want er is niets zo verontrustend als inmenging in mijn interne zaken door een externe mogendheid. Het liefst zou ik zo’n bordje met het opschrift ‘Verboden toegang voor onbevoegden’ uit de natuur overplanten naar mijn werkkamer.

„Dat je zo’n rotzooi wilt”, zei mijn vrouw vroeger al, „hoe kun je nou vinden wat je nodig hebt?”

„Intuïtie”, riep ik dan, „ik zet een soort innerlijke radar aan en binnen een paar minuten heb ik wat ik zoek. Bovendien vind ik, al zoekend, ook nog bruikbare dingen die ik niet zocht, volgens de wetten van de serendipiteit, je weet wel, dat begrip dat bedacht is door de schrijver Horace Walpole.”

Dit vertoon van eruditie maakte niet lang indruk. Walpole? Het klonk alsof ik hem zelf verzonnen had. Daarom was ik blij toen Smeesters met zijn verbluffende onderzoeksresultaten kwam. Een slordig bureau bevordert de efficiëntie! Je zou bijna denken dat ik de Belgische hoogleraar stiekem had ingefluisterd: „Ik bied u gratis publiciteit.”

Met dit machtige wapen zou ik immers aan het huiselijke front onverslaanbaar zijn, temeer omdat je deze wetenschappelijke ontdekking ook naar andere gebieden kunt transponeren – met alle gelukkige gevolgen van dien. Ik noem er een paar. Veelvuldig cafébezoek is heilzaam voor de nieren. Het kijken naar voetbalwedstrijden op tv bevordert het gezinsverband. Een mannelijke woede-uitbarsting zuivert het huiselijke klimaat.

Onwaarschijnlijk dat deze voorbeelden ooit voorwerp zouden kunnen zijn van sociaal-psychologisch onderzoek? Hoezo? Mag ik andere onderzoeksprojecten van Smeesters noemen: mensen die aan de dood denken snoepen meer; bedrijven kunnen beter geen al te dunne fotomodellen voor reclamecampagnes gebruiken.

Is dat niet Smeesterslijk? In het verlengde hiervan zie ik nieuwe onderzoeksprojecten: zwartkijkers eten meer drop; bedrijven kunnen beter hun fotomodellen in natura ter beschikking stellen van de klant.

Ik durf er een jaarlijks tandartsinkomen – vooral het huidige – onder te verwedden dat mijn hypothesen door wetenschappelijk onderzoek bevestigd zullen worden, zonder dat ik ‘significante data’ hoef weg te laten om het te laten kloppen, zoals mijn ‘collega’s’ Stapel en Smeesters deden.

Koud kunstje, die sociale psychologie. Jammer dat de hoogleraren zo slecht waren in dat andere kunstje: het toedekken van het bedrog. Nu ze door de mand zijn gevallen, blijf ik eenzaam achter aan mijn chaotische bureau. Kan ik nog wel columnist blijven?