Robbert Dijkgraaf: ‘Eenheid van kennis bestaat’

Wekelijks verklaart een auteur, politicus of bestuursvoorzitter in de Boekenbijlage van NRC Handelsblad de liefde aan een boek. In de literaire liefdesverklaring van deze week: natuurkundige Robbert Dijkgraaf over Gödel, Escher, Bach van Douglas Hofstadter.

‘Van alle boeken die ik in mijn leven heb gelezen, sloeg Gödel, Escher, Bach van Douglas Hofstadter het grootst uit op mijn schaal van Richter. Ik kocht het eind jaren zeventig, als eerstejaars student natuurkunde in Utrecht. Op een vrijdagmiddag, werkend bij mijn ouders, begon ik erin te lezen. Ik kon niet meer stoppen. Ik las de middag en de avond door, nam het boek mee naar bed, werd er midden in de nacht mee wakker. Uiteindelijk heb ik het in 24 uur uitgelezen.

Gödel, Escher, Bach was een openbaring voor me. Hofstadter draait zoveel kennis in elkaar. De theorieën van de wiskundige Kurt Gödel, de pianowerken van Johan Sebastiaan Bach, het grafische werk van M.C. Escher. Hij gooide alles op een hoop. Everything but the kitchen sink, zouden de Engelsen zeggen. Dat sprak mij enorm aan. Terwijl de meeste boeken zich lostrekken van het geheel, en op zichzelf staan, voegt Hofstadter juist alles samen. Hofstadter liet zien dat alles met elkaar verbonden is, dat eenheid van kennis bestaat.

Gödel, Escher, Bach gaat in diepste zin over zelfreflectie. Eschers gravure van twee handen die zichzelf schetsen. Kunst zegt vaak iets over zichzelf, over haar beperkingen. Zo haalt Hofstadter de op Kreta wonende filosoof Epimenides aan die zegt: ‘Alle mensen die op Kreta wonen zijn leugenaars’. In deze paradox van Epimenides ligt de beperking van onze kennis besloten. Hofstadter schrijft: ‘Op het moment dat je geneigd bent te denken dat deze uitspraak waar is, slaat zij terug door je de indruk te geven dat zij onwaar is.’ Zelfs de wetenschap zal de werkelijkheid nooit helemaal in haar greep krijgen. Daar moeten we in berusten, leert Gödel, Escher, Bach ons. In zekere zin is dit een feel good book .

„In Gödel, Escher, Bach staan in mijn ogen een paar intrigerende personen centraal. Leuk aan de Nederlandse graficus Escher vind ik de toevallige manier waarop hij is ontdekt, tijdens een soort Olympische Spelen van de wiskunde in 1954 in Amsterdam. Het leek de organisatie goed om een graficus uit te nodigen die kon zorgen voor visualisatie. Ze kwamen bij Escher uit. Zo werd hij, op latere leeftijd, wereldberoemd.

„Kurt Gödel, die ik voor Gödel, Escher, Bach niet kende, is een ontroerend personage. Hij was een breekbare man. Als hoogleraar aan het Institute for Advanced Study in Princeton, het instituut waar ik binnenkort directeur van word, hield hij er zulke diepe gedachten op na dat hij eigenlijk met niemand kon praten. Alleen met Albert Einstein kon hij van gedachten wisselen. Gödel, de grootste logicus van de 20ste eeuw, had iets tragisch.

„Uiteindelijk is het Hofstadter zelf die uit dit boek sprankelt. Met zijn openheid en jeugdige kennis springt hij hoog, te hoog eigenlijk. Maar hij weet zich met de toppen van zijn nagels nog net aan de rand van het ravijn vast te klampen. Dan verwacht je eigenlijk dat hij gaat vallen. Maar dat gebeurt niet. Hofstadter weet zich op te trekken en vaste grond te bereiken.

Gödel, Escher, Bach draagt een prachtige boodschap met zich mee. Verken de enorme veelheid aan kennis in de wereld, breng dingen met elkaar in verband op een betekenisvolle manier. Zie het als een bergbeklimming. Niet alleen het halen van de top is belangrijk ,maar ook de weg daarheen. Heb je de top bereikt, dan voel je de voldoening die een echte bergbeklimmer ook voelt. Het gevoel dat je heel hard hebt moeten werken om de diepere laag van Gödel, Escher, Bach te begrijpen.”

Dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad op Vrijdag 22 juni 2012, pagina 4 - 5.