Rij je door na een ongeluk?

Ontwikkelingshulp is geen liefdadigheid, maar compensatie voor schade die we zelf aanrichtten. Fout plan van de VVD om op deze hulp te korten, betoogt Tim Fransen.

Stel je voor, je loopt langs een vijver en ziet een kind verdrinken. Maar je hebt net een paar dure schoenen gekocht, en die zullen worden verpest als je besluit om het kind te redden. Wat moet je doen? Iedereen met een greintje geweten zal zeggen dat het je morele verantwoordelijkheid is om het kind van de verdrinkingsdood te redden. Jammer van de schoenen.

Volgens de filosoof Peter Singer zitten we continu in een situatie waarin we de keuze moeten maken tussen het kopen van luxeartikelen, zoals dure schoenen, of het redden van een kind. Voor het geld waarmee we dure schoenen kopen, kunnen we ook een kind redden, door het geld te doneren aan een hulporganisatie. En als het je morele plicht is om een verdrinkend kind te redden is het ook je morele plicht om een aanzienlijk bedrag te doneren aan een hulporganisatie.

Wat hebben dit argument van Peter Singer, die zelf 20 procent van zijn inkomen aan Oxfam Novib schenkt, en het voorstel van de VVD om 3 miljard euro te schrappen op ontwikkelingshulp, met elkaar gemeen? Op het eerste gezicht vrijwel niets. Ze lijken elkaars tegengestelden. Toch is dit niet helemaal het geval.

VVD-kamerleden Stef Blok en Ingrid de Caluwé schrijven in de Volkskrant van 16 juni dat er wel degelijk een morele plicht bestaat tegenover mensen die het minder hebben. Ze vinden echter dat dit een individuele plicht is, die niet moet worden ‘afgekocht’ via de overheid: „Niets houdt mensen tegen een financiële bijdrage te geven aan zinvolle ontwikkelingsprojecten. De rekeningnummers van Oxfam Novib en Artsen zonder Grenzen staan gewoon op de website van die hulporganisaties.” Om de individuele verantwoordelijkheid te benadrukken, stellen ze voor het doneren aan hulporganisaties fiscaal aantrekkelijker te maken. Overigens schrijven Blok en De Caluwé ook: „Bij rampen en oorlogen is het wel logisch dat ook de Nederlandse overheid noodhulp verstrekt.” Waarom is het in die gevallen wel ‘logisch’ dat de morele plicht bij de overheid ligt en niet bij het individu? Cruijff mag het weten. Niets houdt mensen immers tegen om een financiële bijdrage te geven aan Giro 555. Het rekeningnummer van Giro 555 staat gewoon in de naam.

Met dit tegenvoorstel van de VVD wordt het duidelijker wat de VVD en het voorbeeld van Peter Singer met elkaar gemeen hebben. Ten eerste gaan ze ervan uit dat hulp aan de allerarmsten een individuele verantwoordelijkheid is. Ten tweede gaan ze er vanuit dat de rijke landen onschuldig zijn als het gaat om de situatie van de allerarmsten. Zoals Singer voorstelt dat wij bij het verdrinkende kind slechts omstanders zijn, zo noemen Blok en De Caluwé het geven van hulp ‘liefdadigheid’. Liefdadigheid suggereert dat we onschuldig zijn, hulp bieden zou zelfs op onze nobelheid duiden. De vraag is of deze twee aannames kloppen.

Volgens de filosoof Thomas Pogge is een andere vergelijking meer op zijn plaats: je rijdt een kind aan en moet de beslissing maken of je doorrijdt of het kind naar het ziekenhuis brengt. Je morele plicht om het kind naar het ziekenhuis te brengen is geen liefdadigheid te noemen. Pogge wil hiermee illustreren dat wij mede schuldig zijn aan mondiale armoede. Ten eerste hebben veel ontwikkelingslanden door toedoen van het Westen een forse economische achterstand opgelopen door een verleden van slavernij, kolonialisme en zelfs genocide. Deze achterstand is zelfs zodanig dat als de groei per capita in Afrika vanaf 1960 1 procent hoger zou zijn dan die van de ontwikkelde landen, de inkomens in rijke landen alsnog 20 keer zo hoog zouden zijn. Als tweede belangrijke oorzaak van armoede noemt Pogge de regels van de gemondialiseerde economie en de instituties die deze regels vormgeven. Onder deze instituties vallen onder meer de World Trade Organisation en het Internationaal Monetair Fonds. Omdat ontwikkelingslanden een zwakke onderhandelingspositie hebben bij het vormgeven van deze instituties, en bovendien vaak niet beschikken over voldoende expertise, hoeft het niet te verbazen dat rijkere landen profiteren van deze instituties ten koste van armere landen. Dankzij het WTO-verdrag kunnen rijke landen hun markten beschermen tegen goedkope export uit ontwikkelingslanden, onder andere door middel van quota, exportheffingen en de subsidiëring van de binnenlandse productie.

Geschat wordt dat arme landen op deze manier ruim 100 miljard dollar per jaar mislopen, een bedrag dat vergelijkbaar is met het wereldwijde bedrag aan ontwikkelingshulp. Dit betekent dat de tweede aanname – dat rijke landen geen schuld hebben aan de armoede in ontwikkelingslanden – onjuist is. Ontwikkelingshulp moet dan ook niet worden gezien als nobele liefdadigheid, maar als het compenseren van de door ons gedane schade. Het is als het door ons aangereden kind naar het ziekenhuis brengen.

Is het bieden van hulp inderdaad een individuele verantwoordelijkheid is? Als het zo is dat de wereldorde, en de mondiale instituties die deze orde bepalen, belangrijke oorzaken zijn van structurele armoede, dan is het individu niet het meest geschikte perspectief. Instituties als het IMF en de WTO staan helaas niet onder democratische controle, wat een probleem is op zichzelf. Wel is het zo dat overheden, met name die van de rijke landen, de belangrijkste spelers zijn in het vormgeven van deze instituties. Dit maakt de overheid een veel logischer aanspreekpunt dan het individu, in tegenstelling tot wat de VVD beweert. Want hoewel de overheid de representant is van de burgers, overstijgt de overheid tegelijkertijd de verantwoordelijkheid van de individuele burger. Net zoals de verantwoordelijkheid voor structurele armoede de individuele verantwoordelijkheid overstijgt. Dit maakt de suggestie van de VVD misplaatst. Overigens neemt dit niet weg dat we als individu nog steeds een morele plicht hebben om een verdrinkend kind te redden.

    • Tim Fransen