Rechte rug, ogen geloken

Wat is vrijheid? Hoe tuimel je in de tijdloze ruimte van het oneindige bewustzijn? De zenleraar: „Een brein dat de werkelijkheid probeert te bevatten, is als een vingerhoed waarin de oceaan moet passen.”

Zoals je van hardlopen gespierde benen krijgt, kan je van zen een heldere geest krijgen. Dat was het idee. Totdat bleek dat je alle ideeën moest laten varen.

De zenleraar kijkt de kring rond en vraagt ons, die voor de allereerste keer op een meditatiekussen zitten, wat we hier zoeken. In één woord. Ik probeer een pose aan te nemen die ik heb afgekeken van mensen die de Boeddha imiteren: gevouwen benen, rechte rug, handen in de schoot, ogen geloken, het begin van een glimlach. We krijgen de aanwijzing om op onze ademhaling te letten. De meesten antwoorden dat ze rust zoeken, of andersom dat ze van de onrust af willen, en ze zijn naar Zen Centrum Rotterdam gekomen om die te vinden. Ik weet niet of ik wat zoek, maar het woord dat mij als eerste te binnen schiet is: vrijheid.

Ik wist die eerste keer op het kussen, nu vier jaar geleden, nog vrijwel niets van zenboeddhisme, maar ik had een vaag vermoeden dat je van zazen (zitten in stilte) een heldere geest kon krijgen zoals je van hardlopen gespierde benen krijgt. Dat leek zo te zijn, dus ik bleef naar de zendo komen, de zaal met de kussens. Toen leek dat weer niet, maar ik bleef toch gaan. Daarna weer wel. Dan weer niet. Zodra zich een nieuw inzicht aandiende, werd het kleed weer net zo hard daaronder vandaan getrokken. Zen bleek een nooit aflatende ontmaskering van ideeën en concepten.

Zenleerlingen hebben geregeld een onderhoud onder vier ogen, een daisan, met hun leraar. Terwijl de anderen in zazen blijven zitten, verdwijnt om de beurt iemand naar de kamer van de zenleraar. Tijdens mijn eerste daisan bij zenleraar Gretha Aerts had ik twee kwesties. Ik had het gevoel dat ik een stoorzender was, met vragen over de zaken die zij in de groep ter sprake bracht. Waar had ze het over als ze sprak over boeddha-natuur en oneindig bewustzijn.

De anderen stelden nooit zulke vragen. De meesten zwegen, behalve als het om hun eigen ervaringen ging. De zenleraar zei te hopen dat ik de oversteek naar het ‘niet-weten’ kon maken en citeerde de Boeddha die gezegd had dat je met dit soort vragen terechtkomt in een woud van meningen en theorieën. Niets is zeker te weten, alles is louter opvatting.

Mijn tweede kwestie ging over de Tien plaatjes van de Os, een beeldverhaal over de stadia van de zenweg: een mannetje gaat op weg om een os te zoeken, hij vindt zijn sporen op de grond, vangt een glimp van hem op, krijgt hem te pakken, temt hem, berijdt hem, vergeet hem, vergeet zichzelf en de os, bereikt een of andere bron en keert terug in de wereld.

Aerts legde uit dat het mannetje symbool staat voor het ik-bewustzijn, het ego met al zijn verlangens, lijden, denken, verwachtingen, hoop, enzovoorts, en de os voor het oneindige bewustzijn. Daar keek ik van op.

Ik had gedacht dat juist dat ik-bewustzijn getemd moest worden. „Een brein dat de werkelijkheid probeert te vatten”, zei Aerts, „is als een vingerhoed waarin de oceaan zou moeten passen. In zazen kun je die onmetelijke ruimte gaan ervaren. Woorden en gedachten verdwijnen niet, maar ze zitten je niet meer in de weg.”

Jacht op de os

Anderhalf jaar later ging ik voor het eerst op sesshin: een aantal aaneengesloten dagen zenbeoefening. Het gaat om een innerlijke reset: waanvoorstellingen zien voor wat ze zijn, in een niet aflatende, alerte maar toch enigszins passieve jacht op de os. We zaten in een klooster net over de Belgische grens en de eerste avond had ik voor het eerst daisan bij zenleraar Nico Tydeman. We zaten tegenover elkaar in lotushouding en ik zei met een lachje: ik hou van denken, illusies en verlangens. Dat was waar, maar het was ook bedoeld als provocatie. Ik las in die tijd oude boeddhistische teksten en struikelde over de Dhammapada waarin staat te lezen dat iemand pas vrij is nadat verlangen, begeerte, hartstocht en nog zo wat neigingen met wortel en tak zijn uitgeroeid. Onthechting van het aardse bestaan, dat is waar het om ging.

Ik wilde de hartstocht niet kwijt, ik wilde alle ‘menselijke al te menselijke sensaties’ horizontaal en vertikaal door me heen voelen stromen én ik wilde de diepte peilen van het onbekende, dat mysterieuze ‘niet-weten’, wat de belofte van vrijheid inhield, tuimelen in de tijdloze ruimte van dat oneindige bewustzijn, zonder spoor dat naar de uitgang leidt. Stond het een het ander in de weg?

Tydemans antwoord kan ik me niet meer herinneren, maar pas zocht ik hem op in zijn Amsterdamse zendo en we hadden het over de mens en de ingewikkelde verhouding tot zijn eigen verlangens. „Boeddhisme als het ‘uitroeien van verlangen’ is slecht begrepen”, zei hij. „Verlangen is het enige dat we hebben. Onthechting? Pfff.” Zijn antwoord maakte duidelijk waarom ik naar de zendo was blijven gaan: alles is altijd anders dan het in tweede, tiende en tienduizendste instantie lijkt.

Zo weet ik nog steeds niet wat zen is en blijk ik nog steeds een beginner. „Zen is niets anders dan je eigen leven”, zei Aerts pas. „Wij zijn de uitdrukking van boeddha-natuur. De Boeddha is maar een hulpmiddel, net als zazen en een leraar. Daarom zeggen we: Kill the Buddha. Maar wel op het juiste moment.”