opinie

Net als Lance heeft Niki geen achternaam meer nodig

T wee dagen verder ben ik de verwondering nog niet te boven. Wat een koers, het Nederlands kampioenschap wielrennen. Wat een prachtige winnaar. Wat een schitterende herfst. Er viel nog wat te lachen ook.

Toen ik zondagochtend wakker werd, kreeg ik meteen zin in een lange zit voor de televisie. Met bakken viel het eruit. Een blik op buienradar leerde dat ze er in Kerkrade voorlopig nog niet vanaf waren. Temperaturen die hoorden bij een ander jaargetijde. Als renner had ik de pest in zulke omstandigheden, de oud- coureur kreunt van genot.

Voor de start stak ik mijn plaatsgenoot Wout Poels in een tekstbericht een hart onder de riem. Dat kon hij wel gebruiken, leek me.

Ik las, misschien wel voor de twintigste keer, wat de organisatie op haar website over het parcours schreef. Vier hellingen per ronde. Dat maakt in totaal 70 klimkilometers. In de Tour is dit een forse bergrit. Later in de uitzending kregen Herbert en Maarten er niet genoeg van dit te benadrukken. Maarten, ook een oud-renner.

Zeker was het dat dit, om in vakjargon te blijven, geen „strontkoers” zou worden. Op dit parcours kon geen enkele ploeg de boel „controleren”.

Kwart over twee ging de televisie aan. Nog maar een man of dertig in koers. De slijtageslag was overweldigender dan verwacht. Er was op nog enige controle van vooral Rabobank, tot Niki begon te beuken.

Sinds zondag heeft Niki Terpstra geen achternaam meer nodig. Gewoon Niki volstaat. Zoals Eddy al lang geen achternaam meer heeft. Of Lance.

Wie raakte er niet bevangen door de kou en het parcours? Alleen Niki niet. In eerste instantie sprong Lars Boom met hem mee, maar die hield gevoeglijk zijn adem in. Aan Niki viel geen eer te behalen.

Niki begon zijn solo van ver. Alleen de hongerklop kon hem nog de das om doen. Mooi niet. Ronde na ronde besteeg hij met panache de steile Muur van Rolduc. Het kleurig shirtje ten spijt zag hij eruit als een jaren dertig-coureur. Daar ging hij groots door de duisternis, langs het grootseminarie omhoog. Rolduc met zijn spirituele hoogtepunten en roomse schandalen. Want wielrennen en de moederkerk hebben veel gemeen.

Een speciale vermelding nog voor jongeheer Bert-Jan Lindeman, al vroeg in de koers actief. Twintig keer gestorven onderweg en twintig keer weer opgestaan.

Bert-Jan schuift als een fantoom het beeld in. Hij sluit aan bij Lars Boom die toch maar voor plek twee is gaan koersen. Boom die hem verbijsterd aankijkt: hoe kan dit? De iconische uitdrukking op het gelaat van de jeugdige Drent: ik bid nie veur bruune bonen.

Bert-Jan Lindeman. Heeft binnenkort ook geen achternaam meer nodig. Bij ons in de huiskamer is het al zo ver.

Een schamele zestien coureurs bereikten de finish.