Een gesprek met een 11-jarige, dat gaat zo

Sinds drie jaar krijgen alle 11-jarigen en hun ouders een vragenlijst en een gesprek met de schoolarts. Die probeert psychosociale problemen in kaart te brengen. En het gezin zonodig naar een hulpverlener te verwijzen.

Het gonst in groep zeven van een kleine Amsterdamse basisschool: ben jij al naar de schoolarts geweest? Wat! Moet jij eerder naar bed? Zeiden ze dat? Wat zei je moeder? Aan de muur hangt een lijst met alle kinderen van 11 jaar die de jeugdarts van de GGD onlangs heeft opgeroepen voor een gesprek. Verplicht is het gesprek niet. Maar wie niet gaat, valt op.

Gemeentelijke gezondheidsdiensten (GGD’s) en scholen roepen al drie jaar alle 11-jarigen op voor een gesprek. De ene GGD stuurt de ouders en leerkracht eerst een enquête over het kind. De andere GGD stelt alle vragen ter plekke aan het kind zelf. En sommige GGD’s doen alle drie vragenrondes. Meestal zit een ouder bij het uiteindelijke gesprek. De antwoorden worden opgeslagen in een dossier. Dat kinddossier wordt vernietigd als men 29 jaar wordt.

Ook één van de zoons van de Amsterdamse Joannes Paanakker is geweest. Paanakker zat ernaast terwijl de wijkverpleegkundige het jongetje allerlei vragen stelde. Hoe laat hij naar bed gaat. Of hij wel bij vriendjes speelt. Of hij zich zorgen maakt. Of hij gepest wordt. Of hij buiten speelt. Wat hij zoal eet. Ongeveer dertig vragen.

Sommige ouders, blijkt op allerlei ouderfora op internet, vinden het bezwaarlijk dat de overheid vragen stelt over het psychosociale welbevinden van hun kind. Sommige vragen zijn vaag en er zitten ook oordelen in besloten, vinden zij. Vragen als: ‘Biedt uw kind vaak vrijwillig hulp aan anderen?’ en ‘Is uw kind nogal op zichzelf, neigt hij ertoe alleen te spelen?’ tot ‘Liegt of bedriegt hij vaak?’

Paanakker: „Ik vond het geen bezwaar omdat onze zoon geen echte problemen heeft. Zo’n enquête is niet echt voor ons bedoeld, denk ik. Ze moeten iedereen ervoor uitnodigen omdat ze anders discrimineren – als ze alleen bepaalde gezinnen vragen. En toch is het gek als je er eenmaal zit, want je hoopt stiekem dat je kind wel de wenselijke antwoorden geeft. Hij keek ook af en toe schuin naar me. Vragend. Het zijn natuurlijk ook vragen die gaan over ouderlijk gedrag. Over opvoeding.”

Vindt hij het, als burger, zinvol dat de overheid zo probeert problemen in kaart te brengen? „Toch wel. Ik denk dat het de kans vergroot dat kinderen met problemen door hulpverleners worden gesignaleerd. Ze zullen niet allemaal zelf zo snel hulp zoeken, en hun ouders ook niet. Je kunt het ook omdraaien: als een jongen op zijn veertiende een roofoverval pleegt, dan roept iedereen ‘waarom heeft niemand dit zien aankomen?’ Dus als de overheid probeert om wel vooraf kinderen met problemen op te sporen, is dat best goed.”

De richtlijn ‘Vroegsignalering psychosociale problemen’ voor GGD’s (waar de jeugdartsen in dienst zijn) werd in 2009 ingesteld. Oud-minister André Rouvoet (Jeugd en Gezin, ChristenUnie) was een groot voorstander. Minister Schippers (Volksgezondheid, VVD) en staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten (CDA), breiden dat beleid nu uit naar pubers. Voor elke leeftijdsgroep zijn specifieke vragen. Schoolartsen kunnen verwijzen naar een psycholoog of bureau jeugdzorg. De arts zoekt naar angst, teruggetrokkenheid, depressieve gevoelens, psychosomatische klachten; agressief en/of delinquent gedrag. Volgens de overheidsrichtlijn heeft 11 tot 28 procent van de kinderen sommige van die problemen (of alle). Ouders rapporteren slechts 4 tot 6 procent.

    • Frederiek Weeda