Opzij voor de kampioenstrui

De kampioenstrui kan voor sommige wielrenners aanvoelen als een last. Maar in de rood-wit-blauwe trui ben je ook een autoriteit in het peloton.

Terpstra op weg naar zijn tweede nationale titel in Kerkrade. Foto Novum

De rood-wit-blauwe trui voor de wielerkampioen van Nederland is een licht truitje, zoals elk ander wielershirt. Maar de kampioenstrui kan soms zwaar aanvoelen. Op de schouders drukken, als kilo’s extra bepakking in een bergrit.

Pim Ligthart werd vorig jaar kampioen van Nederland. Juichend werd hij bij de finish opgevangen door zijn manager Daan Luijkx. De jonge Ligthart, 23 jaar oud pas, had de eerste trui in het driejarige bestaan van Vacansoleil gewonnen. „Dit is het hoogtepunt”, riep Luijkx. Want truien tellen in het wielrennen. Het veroveren van de kampioenstrui was voor Luijkx de bevestiging dat zijn ploeg meetelde.

Eerstejaarsprof Ligthart gaf zijn carrière een vliegende start met de titel. Maar hij merkte ook dat hij zich constant moest bewijzen in het rood-wit-blauw. Alleen het NK winnen is niet genoeg voor het publiek. In maart van dit jaar, in de Italiaanse etappekoers Tirreno-Adriatico, offerde de renner zich bijvoorbeeld op voor zijn kopmannen Wout Poels en Johnny Hoogerland.

Maar op internetfora werd geschreven dat de kampioen van Nederland zich weer eens niet liet zien. Als je kampioen bent, heeft iedereen altijd een mening over je, zegt Ligthart. „Dat is soms erg lastig.” Manager Luijkx bevestigt dat de trui voor zijn jonge renner wel eens voelde als een last.

Bij de start van het Nederlands kampioenschap van dit jaar, gisteren in Kerkrade, zijn de oud-kampioenen in het peloton eenvoudig te herkennen. Niki Terpstra, Lars Boom, Stefan van Dijk. Ooit droegen ze een jaar lang de rood-wit-blauwe kampioenstrui, nu hebben ze een opvallend rood-wit-blauw randje aan de uiteinden van de mouwtjes van hun shirt. Als eerbetoon. Van Dijk, die tien jaar geleden kampioen werd, vertelt dat hij sinds het winnen van de titel bij elke nieuwe ploeg aangeeft dat hij wel speciale shirtjes wil hebben, met die gekleurde randjes erop. In het peloton geven ze hem groot gelijk.

Tijdens het NK rijdt Ligthart lang vooraan mee. Zijn ploeggenoot Lieuwe Westra houdt het in de stromende regen al na twee rondjes voor gezien. Hij vindt het smalle, bochtige en gladde parcours veel te gevaarlijk, zo kort voor de Tour de France. Johnny Hoogerland rijdt veertien van de in totaal 22 rondjes in een kopgroep om maar niet te hoeven dringen in het peloton, en blaast zichzelf op. Ligthart wil zich echter laten zien aan bondscoach Leo van Vliet. Anders dan veel andere renners vindt de oud-baanrenner de Olympische Spelen mooier dan de Tour, en wil hij in augustus ontzettend graag naar Londen. Hij had zich graag kandidaat gesteld voor de olympische ploeg in zijn kampioenstrui. Maar mede door een virusinfectie heeft hij dit jaar geen koers gewonnen.

Lighart merkte dat hij na zijn titel overal werd herkend. In de Ronde van Spanje hoorde hij in bergetappes opeens supporters „hup, Pim” roepen. Daarvoor was het altijd „hup, Vacansoleil”.

Hij werd ook wel eens aangezien voor Sylvain Chavanel, de kampioen van Frankrijk. Die reed een jaar lang in het blauw-wit-rood. In Spanje kwam er zelfs een supporter naar hem toe met een foto van Chavanel. Of hij daar zijn handtekening op wilde zetten.

In de koers zag Ligthart ook dat renners makkelijker opzij gingen voor de kampioenstrui. Hij had zich bewezen. In zijn wiel wilden andere renners wel zitten, in dat van een onbekende jonge renner niet. Wegspringen uit het peloton werd wel moeilijker: op een kampioenstrui wordt extra gelet. In de zomercriteriums kreeg hij meer startgeld en hij werd vaker commercieel ingezet door zijn ploeg, als boegbeeld op een sponsorbijeenkomst bijvoorbeeld.

Als Nederlands kampioen rij je altijd in de aandacht, vertellen ook oud-kampioenen Michael Boogerd (1997, 1998 en 2006) en Johan van der Velde (1980 en 1982).

De camerahelikopter van de Tour de France wist Boogerd in zijn rood-wit-blauwe trui altijd makkelijk te vinden in het peloton. De renner werd zelfs zo geassocieerd met de kampioenstrui, dat toen Koos Moerenhout in 2009 kampioen was geworden en in de maanden daarna de trui droeg, mensen tijdens de koers „Boogerd!” naar hem riepen.

En Van der Velde vertelt dat zijn toenmalige ploegleider Peter Post altijd benadrukte dat zij met de kampioenstrui naar de Tour moesten. Zo’n trui geeft een wielerploeg meer uitstraling, meer prestige, in een van de grootste sportevenementen ter wereld.

Michael Boogerd zegt dat hij in de Tour altijd een beetje extra kracht haalde uit zijn trui. Wel durfde hij pas in zijn derde kampioensjaar ook in het rood-wit-blauw te trainen. „Ik dacht altijd dat heel Den Haag dan zou denken dat ik aan het opscheppen was, met mijn trui.” Alleen de eerste dag na het kampioenschap was hij zo trots, dat hij ging trainen in het – veel te grote – shirtje waarin hij was gehuldigd.

Pim Ligthart trainde wel „bijna 365 dagen” in zijn kampioenstrui. „Ik wilde er wel een beetje van genieten”, lacht hij. En Stefan van Dijk vertelt dat hij zo aan het rood-wit-blauw was gehecht, dat hij pas geloofde dat hij de sprint op het volgende kampioenschap met een banddikte verschil had verloren nadat hij de finishfoto’s had gezien. „Toen wist ik dat ik er geen recht meer op had.”

In Kerkrade wordt het kampioenschap, waar iedere ronde meer renners afstappen, overtuigend gewonnen door Niki Terpstra, na een indrukwekkende solo van zo’n 40 kilometer.

Er komen met Terpstra maar 16 van 102 renners die zijn gestart ook over de finish in het koude en natte weer. Terpstra werd al een keer eerder nationaal kampioen, in 2010. Na afloop zegt hij uit te kijken naar weer één jaar koersen in de kampioenstrui. Want iedereen ziet duidelijk dat hij de trotse kampioen van zijn land is.

    • Dolf de Groot