Nog steeds kijken we om acht uur nieuws

Nergens hield de verzuiling zo lang stand als in Hilversum. Omroepen wilden verkondigen, vernieuwing werd geweerd. Zo blijkt uit een cultuurgeschiedenis van radio en tv in Nederland.

De televisie blijft heus nog wel bestaan. Sinds de opkomst van internet, en vooral nu de sociale media veel aandacht trekken, is de televisie – met haar vooraf vastgelegde uitzendtijdstippen – al vaak tot op sterven na dood verklaard. Maar nog altijd bestaan er vaste rituelen in het kijkgedrag, zoals het NOS Journaal om 8 uur ’s avonds. Nog steeds trekken allerlei evenementen een massaal miljoenenpubliek, zie de recente EK-wedstrijden met het Nederlands elftal. Blijkbaar zijn er maar weinig mensen die last hebben van het feit dat de uitzending van die wedstrijden op een vast tijdstip begint.

„Televisie blijft ook aan het begin van de eenentwintigste eeuw een bepalende culturele vorm van communicatie”, concludeert Eggo Müller, hoofddocent film- en televisiewetenschap aan de Universiteit Utrecht in het vandaag verschenen boek Een eeuw van beeld en geluid. „Ondanks alle spraakmakende nieuwe ontwikkelingen veranderen bepaalde tradities van onze televisiecultuur [–] uiteindelijk heel langzaam en zullen een aantal mediarituelen misschien nooit veranderen.” En verder, in het jargon van de mediawetenschapper: „Televisie integreert nieuwe technologieën en communicatievormen en herpositioneert zich geleidelijk in een convergerende mediaomgeving, door nieuwe programma's en diensten te ontwikkelen, maar ook door haar stempel op de nieuwe media te drukken.”

De cijfers zeggen genoeg. In 1992, een jaar voordat de webbrowser werd ingevoerd die internet voor velen toegankelijk maakte, keek de gemiddelde Nederlander twee uur en 26 minuten televisie per dag. In 2009 was die kijktijd gestegen naar drie uur en vier minuten. En het resultaat van vorig jaar bewijst opnieuw Müllers gelijk: we zitten nu op drie uur en elf minuten per dag.

Müller waarschuwt voor overschatting van noviteiten zoals het multimediaplatform. De website van de door Geert Mak gepresenteerde serie In Europa (2007) werd veelgeprezen, maar weinig bekeken: „Het bleek een concept dat minder bij de gebruikers aansloeg dan gehoopt was”. Dat gold eveneens voor de wijze waarop de reeks Beagle, in het kielzog van Darwin (2009) via internet was opgetuigd: „Op YouTube heeft Beagle slechts 323 abonnees en op Facebook ‘houden’ maar 2.793 deelnemers van het optreden van Beagle”.

De door zes wetenschappers en één tv-regisseur geschreven bundel is een uitgave van het Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum, waar vanochtend ook de presentatie plaatsvond. Wat de auteurs voor ogen stond, was „een impuls geven aan een empirische bestudering van radio en televisie, bijvoorbeeld in de langetermijnontwikkeling van genres zoals het praatprogramma, het nieuwsjournaal, het interview, de comedy, het sportprogramma en de jeugdprogrammering”.

Sonja de Leeuw, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht, geeft daarvan een praktisch voorbeeld in haar hoofdstuk over het recente tv- aanbod. De televisie werd altijd beschouwd als een venster op de wereld, schrijft ze. Maar sinds er in informatieve programma’s steeds meer ruimte komt voor de particuliere emoties van betrokkenen, en sinds er een overdaad aan realityprogramma’s is gekomen, heeft het medium een ander gezicht gekregen. Met als resultaat „dat televisie niet meer alleen een venster op de wereld is, maar vooral een venster op de huiskamer is geworden”.

Decennia lang stonden radio en tv in het teken van de verkondiging. Zodra de omroepverenigingen het medium in handen kregen, stond niet de informatieve of de culturele functie voorop, maar het uitdragen van religieuze en/of maatschappelijke visies. Nieuwe technische mogelijkheden werden vaak met weinig enthousiasme verwelkomd. Of liever zelfs tegengewerkt. Zo wist de VARA al in 1938 dat de televisie weinig toekomst had: „Wil men televisie ontvangen, dan moet men de kamer donker maken en voortdurend naar het beeld kijken. Wij kunnen ons niet voorstellen dat men dat regelmatig zal doen. Dit is aardig voor een keer als er iets bijzonders is, maar dat is niet geschikt voor regelmatige uitzending”.

En nog typerender, want principiëler was een verklaring van de NCRV uit 1948, toen er voor het eerst buitenlandse correspondenten aan het woord kwamen: „Of wij willen of niet, hoe langer hoe meer zullen onze uitzendingen ook internationaal georiënteerd moeten zijn. Het gevaar daarbij in humanistische, min of meer socialistische wateren te verzeilen, is niet denkbeeldig”. Men zag de nieuwe ontwikkelingen met huiver tegemoet.

De schrijvers geven veel treffende voorbeelden van deze verzuiling en beschrijven ook hoe die in de loop der jaren is verwaterd. Bij elke verandering in de programmering – bij de komst van nieuwe zenders die een eigen kleur kregen, en bij de introductie van een dagelijkse frequentie voor steeds meer programma's – hebben de afzonderlijke omroepen aan macht ingeboet. Aan voorspellingen over de toekomst van dit bestel wagen de auteurs zich echter niet. De televisie is taai, en de verzuiling blijkbaar ook.

Een eeuw van beeld en geluid, cultuurgeschiedenis van radio en televisie in Nederland. Red: Bert Hogenkamp, Sonja de Leeuw, Huub Wijfjes. Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid, € 39,95.