Lesje Alan Turing

2012 is uitgeroepen tot zijn jaar. Dit weekend begon de tentoonstelling Turings Erfenis in het Centrum voor Wiskunde & Informatica in Amsterdam. En Google eerde hem door een Alan Turing Google Doodle te maken – over de Turingmachine.

Het was afgelopen zaterdag honderd jaar geleden dat Alan Turing werd geboren. Een briljant wiskundige die een van de grondleggers was van de computer, tijdens de Tweede Wereldoorlog de Duitse Enigma-codes kraakte en verregaande ideeën ontwikkelde over kunstmatige intelligentie.

Op de middelbare school heb ik nooit iets gehoord over Turing. Nu had ik ook een pakket gekozen dat je slechts klaarstoomde voor studies als ‘Culturele vormingen en ontwikkelingen in vergeten spreekwoorden van de vorige eeuw’, maar bij geschiedenis was het toch best interessant geweest (ik moest immers ook leren over Edison, de man die stiekem toch niet echt de gloeilamp had uitgevonden).

Over Turing hoorde ik pas toen iemand mij vertelde over een Britse computerwetenschapper met een Sneeuwwitjefascinatie. Soms kun je als leek niet werkelijk begrijpen wat een wetenschapper heeft betekend voor een bepaalde tak – je kunt alleen de verhalen horen. In dit geval een tragisch sciencefiction-jongensboekverhaal.

Dan kom je te weten dat hij als zestienjarige van zijn wiskundeleraar te horen krijgt dat die hem niets meer kan leren. Hoe hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in Bletchley Park in Hut 8 de codes van de Duitsers kraakt (goed: een code kraken is waarschijnlijk eindeloos saai werk, met veel herhaling en algoritmen en vaststellen dat het weer niet klopt en sloten slechte koffie, maar voor de leek klinkt het toch romantisch). Dat hij opmerkelijke gewoonten bezat, zoals rondfietsen met een gasmasker op zijn hoofd tegen de hooikoorts. Dat hij de Turing-test ontwierp: de vraag of een ‘interviewer’ een machine van een mens kan onderscheiden, bijvoorbeeld door met ze te chatten. (Dit blijft intrigerend: een computer kan spreekgedrag imiteren, maar kan het dan ook denken? En zou er op een dag toch een H.A.L.-achtige computer komen, die opeens aangeeft bang te zijn in het donker – en zou je hem dan toch in een donkere ruimte achterlaten?). Het leukste aan de Turing-test is nog wel: de extra punten voor degene (computer of mens) die de interviewer ervan kan overtuigen dat-ie een computer is („Voel je je ook weleens zo… voorgeprogrammeerd?”)

En uiteindelijk ontdekte ik dat hij homoseksueel was, een gross indecency die leidde tot een rechtszaak en hem opzadelde met een gedwongen chemische castratie. Twee jaar later was hij dood: aangetroffen in bed, overleden aan een cyanidevergiftiging, met een – en daar komt Sneeuwwitje om de hoek kijken – half opgegeten appel in zijn hand. Turing scheen diep onder de indruk te zijn geweest van de film, en herhaalde graag de woorden van de heks: ‘Dip the apple in the brew, let the sleeping death seep through.’ De appel in zijn hand is nooit op cyanide getest, en er wordt nog steeds geopperd dat zijn dood een ongeluk was. Maar de schrijnende Sneeuwwitje-optie, met alle analogieën over appels, Prinsen, goed en slecht, menselijk of niet, had vast voor een interessant lesuur geschiedenis gezorgd.

    • Renske de Greef