Column

Hoe een mening tot stand komt

Er is een vorm van edelmoedigheid en goedertierenheid die, mits met grote toewijding beoefend, onvermijdelijk tot moord en doodslag leidt. Neem mij nou. Aanvankelijk was ik een gerespecteerd humanist.

De neergang begon toen ik een boek uitleende aan een vrouw die in deze crisistijden een artikel wilde schrijven over de deugd. Nu schrijf ik zelf ook zo vreselijk graag artikelen over de deugd, maar ik zag wel in dat zij het boek beter kon gebruiken dan ik, dus pakte ik het voor haar met crêpepapier in, liet haar beloven me het binnen een week terug te bezorgen en gaf het geval over aan de voorzienigheid. Ik zie haar nog voor me, hoe ze glunderend van betrouwbaarheid en respectabiliteit de deur uit liep, waarna ik nooit meer van haar, het boek of het artikel heb vernomen.

De laatste tijd wordt goed duidelijk welke systeemfouten er zitten in de wijze waarop de wereld is ingericht. Het is de komende week bitter nodig te onderhandelen over nationale soevereiniteiten en heffingen op financiële transacties. Maar de tijdgeest is net zo goed een optelsom van onze individuele gedragingen, de manieren waarop we ons lot onder ogen zien, en dus besloot ik deze week met het oog op de toekomst van Europa te schrijven over het grote belang van… Wat? Openheid. Gematigdheid. Redelijkheid.

In het openbare debat klonken andere geluiden. Beschuldigende geluiden. Dat het allemaal aan Huntelaar ligt, we spelen geen rol meer in Europa, de Unie trekt zonder Nederland verder, onze jongens hebben niet het beschavingsniveau van de Mannschaft, we zijn sowieso een land van jongens, wanneer hebben wij nou nog voor het laatst een volwassen man als minister-president gehad, de groei blijft achter en dat ligt aan kinderachtige politieke campagnes en onze gebrekkige teamgeest.

Goed, dat mocht dan allemaal waar zijn, maar met schamperen en gekissebis alleen kom je er niet en ik besloot er boven te staan. Het boek over de deugd was me helaas ontstolen, maar ik zou op internet informatie vinden voor mijn stuk over gematigdheid en het juiste midden. Toen ging mijn modem kapot.

Er wordt weleens gedacht dat opinies der weldenkenden rationeel tot stand komen. Maar hoe gaan die dingen? Vroeg of laat stuit je met al je rationaliteit op een helpdesk, en helpdesks zijn slechte mensen, ze leggen de schuld altijd bij een ander. Hoewel ik met voorbeeldige zelfbeheersing het gesprek inging, werd de helpdesk al gauw ongeduldig. Het komt natuurlijk, zei hij, „doordat u de telefoonkabel van uw modem per ongeluk hebt vastgemaakt aan het koppelingspedaal van uw auto”.

Hier begon mijn bloeddruk te stijgen. Ik schonk een glas wijn in, en trommelde met mijn vingers op de fles. Is het u ook opgevallen dat alle, echt alle, wijn tegenwoordig naar rood fruit smaakt? Het smaakt allemaal hetzelfde. Wat zegt u? Ja, natuurlijk snap ik dat het door de markt komt, allemaal een kwestie van vraag en aanbod, ik ben ook niet imbeciel. Iedereen wil hetzelfde. Je loopt door de supermarkt en je mompelt nijdig „en ik dan?”

De ploert van de helpdesk gaf me het bevel mijn laptop open te schroeven en terwijl ik met mijn voet mijn glas wijn omgooide en staande in rood fruit probeerde met mijn pink een chip op te wippen, bedacht ik in razernij dat de dienstensamenleving kennelijk ten einde is, we mogen nu opeens alles zelf opknappen. Straks zal de nieuwe regering besluiten dat je ook de operatie op je blindedarm zelf wel kunt uitvoeren. „Ziet u dat slangetje”, zegt de helpdesk in India. „Als u uw genetische code uit het tabblad daaronder knipt en die vervolgens plakt in het weefsel direct onder uw maag, dan moet de hele boel binnen zeven dagen wel weer aangroeien.”

Zo was het ten slotte middernacht geworden. Met de hulp van de helpdesk was het modem nu definitief ter ziele, en er zat niets anders op dan met de auto langs boerderijen in de omgeving te rijden om te zien of nog ergens een draadloos netwerk openstond. Door de laptop uit het raam te steken kon ik flarden informatie opvangen, en terwijl ik in het pikkedonker half uit het autoraam hing, bezag ik mezelf met welbehagen. Zo ziet de deugd eruit, dacht ik. Wat een bewonderenswaardige inzet voor de maatschappij en Europa.

Op mijn scherm, dat vreemd oplichtte in het donker, kwam intussen niets anders binnen dan nieuws over politici die de vrede in Europa in gevaar brengen, aandeelhouders die organisaties om zeep helpen, collega’s die elkaar een mes in de rug steken, louter infantiliteit en uitbuiting en zelfzucht. Getergd schreeuwde ik het uit door de nacht. „Mijn God, wat heb ik toch een gruwelijke bloedhekel aan de mensheid, met zijn geziem en gezeur en zijn domme kwaadaardigheid, allemachtig.”

De boerderijhonden begonnen te blaffen en ik vluchtte, bang voor ontdekking, een landweggetje op, waar ik mijn auto in de berm parkeerde. Binnenkort, dacht ik vlak voordat ik achter het stuur in slaap viel, schrijf ik een ouderwets humanistisch stuk over het belang van onze individuele lotsaanvaarding voor het vormen van de tijdgeest en de beschaving. Maar eerst moet ik even bijkomen.