Deze zomer: elke dag extreem weer

Wat zijn de kleine verhalen waar de moderne mens in gelooft? Wekelijks vertelt Arjen van Veelen zo’n moderne mythe. Vandaag: het weerbericht.

‘Supercel parameter komt uit op 2!! Het gaat er beter en beter uitzien” , zegt de een. Een ander: „Wanneer komen ze (KNMI) eigenlijk met code oranje??”. We zijn op het forum van meteo-service.nl, afgelopen woensdag. Amateurmeteorologen en stormchasers bespreken hier vol spanning het weer. De modellen slaan die dag knallend rood en blauw uit: storm op komst. „Het begint me aardig te kriebelen! Heb er zin in!”

De volgende dag geeft het KNMI inderdaad Code Oranje af. Dat betekent officieel: „Er is sprake van groot gevaar.” Die dag zou het losgaan met hevig onweer, hagel, rukwinden. Het Algemeen Dagblad, intussen, roept lezers alvast op om foto’s in te sturen van het extreme weer: omgewaaide bomen, gestrande treinen „of zelfs slachtoffers”.

Maar: de storm blijft uit. Het regent alleen hard. Het dondert wat. Saai doorsnee onweer.

Vroeger zou dat een opluchting zijn – scheelt weer mislukte oogsten (of zelfs slachtoffers) – maar nu gebeurt er iets anders. De stormchasers, zij kunnen er nog wel mee leven („Toch nog een traktatie gehad van 2 flitsen met 2 donders”), maar elders heerst verslagenheid, alsof ons land ten onrechte een zomeravondvuurwerk is ontnomen. „NOU KOM DAN met je Piet Paulucaust-weeralarm, treinverzwelgende hageltsunami’s en ANWB-verkeersinfarcten-regen!!!”, reageert een teleurgestelde twitteraar.

De grap die het meest wordt doorgestuurd over Code Oranje: „Snap wel hoe ze aan die naam komen. 20 minuten gaat het keihard en daarna stelt het niet veel meer voor.” We hadden toch recht op een storm? Elsevier.nl begint te zwartepieten. „Vals weeralarm KNMI: noodweer blijkt flinke bui”. Nu had het KNMI niet eens een weeralarm uitgegeven (alleen een waarschuwing). En zelfs dan: dit is alsof je boos bent dat je niet bestolen bent, terwijl je toch echt gewaarschuwd was voor zakkenrollers.

Er is iets raars met ons weer. Nu ja, niet met het weer zelf, maar met hoe we erover praten. Vroeger was het weer van levensbelang, in elk geval voor boeren en scheepslui. Maar later, in een comfortabel land waar alles keurig geregeld was, deed het weer er minder toe. De lucht werd een stukje oernatuur dat je vanachter glas kon gadeslaan. Het weer werd decor, amusement. Je had barbecueweer en strandweer.

Maar juist toen het weer irrelevant werd, vonden wij het steeds belangrijker. Het weer werd het enige item dat altijd het journaal haalde, of er nu nieuws was of niet. Met zelfs een speciale correspondent. Kranten brachten op de voorpagina grafieken en tabellen. Soms drukten ze zelfs een foto van het strand af, om te laten zien wat iedereen al wist (lekker weer!).

Het weer was niet langer die grillige oerkracht van ooit, maar kreeg nu de rol van nationaal gespreksonderwerp. Het weer werd voetbal: je had er geen invloed op, maar iedereen had er een mening over. En als het weer records brak, waren we trots op het weer, op ons weer. De hemel werd een soort flatscreen met een kijkdichtheid van 100 procent. Als de echte hemel saai was, keken we films over extreem weer van vroeger, zoals De Storm of De hel van ‘63. Het weer werd onze enige gemeenschappelijke experience.

Er sloop ook een zekere nonchalance in het weerbericht. Symbolisch voor deze periode is de clown Piet Paulusma, die het weer begon te presenteren als een hinderlijke onderbreking van zijn eigen tuinparty. Ons land werd een camping. „Weertje hè”, zeiden we collectief. We hadden weinig anders te bespreken.

Maar die collectieve ervaring, hoe oppervlakkig ook, is aan het verdwijnen. Er is iets grimmigs in de wolken geslopen. Misschien begon dat met de klimaatcrisis, toen er de eerste onheilspellende berichten kwamen over een nakende apocalyps. Het weer was niet langer entertainment, maar politiek. En elke ijspegel, iedere zonnestraal werd bewijsmateriaal in een debat waarin iedereen steeds bevestigd ziet wat hij toch al vond. „Het wil niet vlotten met de opwarming van de aarde”, zei PVV-Kamerlid Richard de Mos (PVV), toen het eens erg koud was. „Vandaag ben ik alweer twee keer drijfnat geregend!”, zei GroenLinks-Kamerlid Liesbeth van Tongeren eens. „Door de klimaatverandering komen die stortregens echt steeds vaker voor”.

Noem het: zie-je-wel-isme. We zitten in een achtbaan. Als we omhooggaan gilt de ene helft: zie je wel, we stijgen! Als we omlaaggaan, roept de andere helft: zie je wel, we storten neer.

Het weer is niet neutraal meer. Je hebt nu links weer en rechts weer. Het weer is links als het in de winter warmer is dan gebruikelijk. Het is rechts als het zomers kouder is dan normaal.

Onze nuchterheid – het kan vriezen, het kan dooien – verdween. We kregen er uitroeptekens en overdrijvingen voor in de plaats. In onze huiskamers klonk voortdurend weeralarm (een soort luchtalarm voor regendruppels). Een winter die te warm was voor een Elfstedentocht noemden we ‘horrorwinter’ (een soort hongerwinter, maar dan erger). Die hysterie zou ironisch zijn als die alleen van GeenStijl kwam, maar ook de sites van bijvoorbeeld NRC, Elsevier en het Reformatorisch Dagblad spraken in ernst over horrorwinters. Volgens de Taalbank bestond het woord voor 2010 niet eens.

Voor het eerst trekken we ook het weer zelf in twijfel. De voorspeltechniek is flink verbeterd, maar wordt juist meer gewantrouwd. Het KNMI kreeg concurrentie van commerciëlen en amateurs. Die laatsten durven wel voorspellingen te doen voor een heel seizoen (‘Het wordt een spookzomer in 2012’). Ieder heeft zelf een buienradar. Wat Kroll kon, kun jij ook. Het weer is simpelweg een filmpje dat je vooruit kunt spoelen.

Toeval en foutmarges trekken we niet meer. Als ondanks alle apps en stats het weer niet klopt, worden we boos. Afgelopen zomer stelde CDA-Kamerlid Holtackers zelfs Kamervragen over het weer. Want het KNMI had er naast gezeten. Voor het eerst in de geschiedenis moest een staatssecretaris, Atsma, ingaan op het weer van de week ervoor. Hij antwoordde keurig. Het weer liet „een wisselvallig weerbeeld zien”, zei hij. Hij had moeten toevoegen: oant moarn!

Vroeger zag men in bliksem een boodschap van Zeus. Vroeger klaagde men heel de tijd over het weer. Nu? Nu zien wij in een plensbui een politieke streek. En we klagen nog steeds volop, maar we willen het liefst ook iemand áánklagen – het KNMI, de klimaatfundi’s, Buienradar, wie dan ook. „Weertje hè”, is veranderd in: „Geld terug! Kamervragen!”. Intussen funderen we ons beleid op bliksemflitsjes. We maken elke dag extreem en slaan ieder uur alarm. De diagnose is haast symbolisch: we zien geen verschil meer tussen weer en klimaat, tussen toeval en trend.

Als je zelfs over het weer verdeeld ben, ben je in de war. Dat voorspelt gedonder. Code Rood. Een extreme horrorzomer.