Opinie

    • Juurd Eijsvoogel

De wereld ziet Duitsland graag als volgzame leider

De rest van de wereld heeft makkelijk praten. „Duitsland moet eindelijk eens de leiding nemen bij het oplossen van de eurocrisis”, zegt een groeiend koor van buitenlandse politici en commentatoren. Maar zij spreken geen Duits, en dat scheelt.

In het Engels zijn ‘leider’ en ‘leiderschap’ gewone politieke begrippen, schreef een redacteur van Die Zeit onlangs met milde jaloezie. Maar zodra je het in het Duits gaat vertalen, krijg je een knoop in je tong. Want: hoe noem je iemand die leidt – „jemanden, der führt…?” Inderdaad: „…einen Führer”. En niet voor niets ligt er sinds de Tweede Wereldoorlog nogal een taboe op dat woord.

En niet alleen het woord is beladen. Ook het idee dat Duitsland (Duitsland!) in Europa de leiding moet nemen, voelt ongemakkelijk – in Duitsland zélf misschien nog wel meer dan in andere landen.

Lang niet alleen vanwege de geschiedenis overigens. Duitsers hebben het akelige gevoel dat ze nu wel van alle kanten aangemoedigd worden om de leiding te nemen, maar dat eigenlijk iets anders wordt bedoeld. Dat Duitsland vooral een gehoorzame, volgzame leider moet zijn, een leider die niet doet wat hij zelf wil, maar wat er van hem wordt gevraagd: zijn beurs trekken. Men ziet Duitsland liefst als „een goedmoedige reus”, schreef Die Zeit, die als „een soort heilige Christoffel de steeds zwaardere Europese Unie op zijn brede schouders door de stroom van de crisis draagt”.

Amerika weet hoe het is door andere landen aangespoord te worden om in noodsituaties „iets te doen”, zijn machtspositie te gebruiken om de crisis te bezweren. Maak je geen illusies, zei minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright eens tegen haar Duitse collega Josch-ka Fischer: eerst roepen ze van de zijlijn dat je de leiding moet nemen, en als je dat vervolgens doet krijg je ervan langs voor je dominante gedrag.

Met enig goedmoedig leedvermaak voorspelde ze Fischer dat Duitsland als Europese grootmacht nog veel begrip zou krijgen voor de lastige positie waarin de Verenigde Staten als supermacht zo vaak verkeren. Wen er maar vast aan, zei ze volgens de overlevering, want het moderne Duitsland ontkomt niet aan die leidersrol – en dat brengt nu eenmaal verantwoordelijkheden met zich mee en veel kritiek.

Nu is het zover. En opmerkelijk is niet dat Angela Merkels Duitsland aarzelt om die moeilijke en ondankbare leidersrol in Europa op zich te nemen. Opmerkelijk is veel meer dat er in de rest van Europa zo weinig verzet tegen is, dat men Duitsland de hoofdrol zo graag toevertrouwt. Hier en daar steken wel anti-Duitse gevoelens de kop op, en er zijn natuurlijk ook altijd politieke tekenaars die niets beters kunnen verzinnen dan Merkel in nazi-uniform. Maar het Duitse oorlogsverleden wordt nergens echt met succes in stelling gebracht.

Zelfs in Polen, dat in de Tweede Wereldoorlog zo zwaar heeft geleden, werkt dat niet meer. Minister van Buitenlandse Zaken Sikorski kreeg vorig jaar wel wat boze reacties in eigen land toen hij in Berlijn had gezegd dat hij banger is voor het nietsdoen van de Duitsers dan voor hun macht – hij spoorde Duitsland expliciet aan de leiding te nemen in Europa. Maar zelfs rechtse nationalisten in Polen konden geen politieke munt slaan uit die voor Poolse begrippen ongehoorde germanofilie.

Het is ook niet makkelijk om Merkel als een harde nazi af te schilderen. Ze is geen Führer-type, maar een bedachtzame politicus. Een wat meer martiale kanselier had de rest van Europa waarschijnlijk heel wat beduchter gemaakt.

Als Europa zich echt door Duitsland uit de crisis wil laten leiden, moet het accepteren dat de Duitsers daar voorwaarden aan stellen. „Ook onze kracht is niet onbegrensd”, zei Merkel vorige week terecht. Van Duitsland op zijn beurt mag worden verwacht dat het, als goede leider, zijn machtspositie niet gebruikt om zijn eigen gelijk te halen, maar om een oplossing te zoeken waar ook de zwakkere landen in kunnen geloven.

    • Juurd Eijsvoogel