'De overheid geeft 60 procent van het nationaal inkomen uit'

De aanleiding

Vorige week dinsdag presenteerde Hero Brinkman zijn fusiepartij met Trots op Nederland, genaamd Democratisch Politiek Keerpunt. Het partijprogramma laat nog even op zich wachten, maar in zijn openingsspeech licht Brinkman alvast een tipje van de sluier op. In zijn speech, te vinden op de website van zijn vorige partij, de Onafhankelijke Burger Partij, schrijft Brinkman dat de overheid „de tering naar de nering” moet zetten. „Het is de overheid die uit zijn voegen is gegroeid en op onze zakken teert.” De overheid moet volgens hem eerst „in eigen vet snijden” in plaats van de komende bezuinigingen „af te wentelen” op de burger.

Brinkman zet zijn woorden kracht bij door aan te geven hoezeer de overheid in volume is gegroeid de afgelopen eeuw. Hij schrijft: „Maakte de overheid in 1900 nog 10 procent van de uitgaven als percentage van het nationaal inkomen uit, in 1950 steeg dit naar 24 procent en in 2002 was dat al 52 procent van het nationaal inkomen. Nu zitten wij bijna op de 60 procent. Dat betekent dat van elke euro die u verdient er 60 eurocent tegenover staat die de overheid uitgeeft.” next.checkt bekijkt of die 60 procent klopt.

Waar is het op gebaseerd?

Als bron voor de historische vergelijking noemt Brinkman in zijn speech het programma van Trots op Nederland uit 2010 getiteld Vertrouwen en handhaven. Ook verwijst hij naar het recente boek De geldbubbel van politicoloog Sander Boon.

In beide bronnen komt de historische vergelijking inderdaad terug. Genoemd worden dezelfde overheidsuitgaven van 1900, 1950 en 2002 ten opzichte van het nationaal inkomen, evenals dezelfde percentages. Het aandeel 60 procent ‘anno nu’ staat er niet bij.

Sander Boon, die eerder meeschreef aan het historisch kader van Trots op Nederland, zegt geen bemoeienis te hebben gehad met de partij of de speech van Brinkman. „Ik hang geen partij aan en ben onafhankelijk.” Het percentage van 60 procent zegt hij niet te hebben genoemd, „het viel me ook op”. Dat zal dus wellicht zelf door de partij van Brinkman zijn gevonden en toegevoegd.

En, klopt het?

De vergelijking is gebaseerd op overheidsuitgaven ten opzichte van het netto nationaal inkomen (NNI). De cijfers hierover zijn afkomstig van het CBS, het instituut dat jaarlijks het nationaal inkomen berekent. Navraag bij het CBS leert dat de percentages kloppen voor 1900 (10 procent) en voor 1950 (24 procent). Voor 2002 en 2010 waren de percentages zelfs nog iets hoger dan genoemd (53,7 procent en 61 procent). Cijfers over 2011 worden morgen (dinsdag) openbaar. Brinkmans bewering klopt, althans wanneer je uitgaat van het netto nationaal inkomen.

Gebruik van deze eenheid om overheidsuitgaven in perspectief te zetten is echter niet gangbaar. In de regel worden overheidsfinanciën afgezet tegen het bruto binnenlands product (BBP). Dit geldt voor de OESO (de club van rijke landen) en het Internationale Monetaire Fonds, maar ook voor de EU, voor beleggers en analisten. Iedereen rekent met het BBP, niet met het NNI. En het BBP, het bedrag dat alle inwoners binnen de Nederlandse grenzen produceren, is weer vergelijkbaar met het bruto nationaal inkomen (BNI), het bedrag dat alle Nederlanders (ook die in het buitenland) samen met elkaar verdienen.

Het verschil tussen ‘ bruto’ en ‘netto’ in de nationale rekeningen is dat inkomen uit ‘vervangingsinvesteringen’ in de nettoberekeningen niet is meegerekend. Dit zijn investeringen die nodig zijn om kapitaalgoederen (gebouwen, machines) in de jaren dat ze worden verbruikt, te vervangen. Dat kost de één geld (denk aan een huis waarvan je het schilderwerk moet laten doen), maar levert de ander geld op (de schilder). ‘Vervangen’ draagt dus bij aan het nationaal inkomen, maar deze factor is in de nettoberekeningen niet meegenomen.

Het NNI (494 miljard euro in 2010) is dan ook kleiner dan het BNI (583) en het – vergelijkbare – BBP (558 miljard). Als je de overheidsuitgaven deelt door een kleiner getal, krijg je een hoger percentage. Vandaar die ‘60 procent’. Zou je het – gangbare – bruto binnenlands product (BBP) nemen, dan was in 2010 het percentage 51,2 procent.

Vergeleken met de eurolanden was dat aandeel 0,1 procent boven het gemiddelde dat jaar. Zweden (52,5), België (52,6 procent), Finland (55,6), Frankrijk (56,8), Denemarken (57,8) en Ierland (66,8) scoren hoger. Het aandeel van de overheid is lager in Duitsland (48) Spanje (45,6) en Zwitserland (34,2).

Ook in historisch perspectief is de genoemde ‘60 procent’ geen unicum. Met de opkomst van de verzorgingsstaat vanaf de jaren zestig nam het aandeel van de overheidsuitgaven sterk toe. Een piek was er begin jaren tachtig, toen het netto nationaal inkomen 68,6 procent bedroeg. Sindsdien zijn de overheidsuitgaven als percentage van het nationaal inkomen gedaald. Dat het percentage vanaf 2008 weer toeneemt heeft volgens het CBS vooral met de economische crisis te maken. Het totale nationale inkomen werd kleiner en daarmee het aandeel van de overheid als vanzelf groter.

Conclusie

Hero Brinkman schrijft in zijn speech dat het aandeel van de overheidsuitgaven als percentage van het nationaal inkomen 60 procent bedraagt. Dit klopt als we uitgaan van netto nationaal inkomen. Hiermee komt het percentage wel hoger uit dan de gangbare rekeneenheid voor zulke vergelijkingen: het bruto binnenlands product. Daarnaast is het genoemde percentage in internationaal en historisch perspectief allerminst een unicum. Dat doet echter niets af aan de feitelijkheid ervan: next.checkt beoordeelt de bewering dan ook als waar.