De Bovenbazen (37)

Tom Poes hield zich zo veel mogelijk achteraf en hij zorgde er voor dat heer Ollie hem niet te zien kreeg.

‘Het moet zijn tijd hebben,’ zo sprak hij tot zichzelf. ‘Wanneer ik geduld heb, gebeurt er vanzelf wel iets, waardoor heer Bommel spijt krijgt van de duit, die hij oneerlijk gewonnen heeft.’

De bediende Joost was echter uit ander hout gesneden.

‘Het is prettig,’ zo sprak hij, op een morgen van de bank komende, ‘dat heer Olivier een nieuwe wind door de insectenbestrijding laat waaien. Ik heb daar het volste vertrouwen in, met uw welnemen. Ik heb dan ook een aandeeltje ddt gekocht. Een goede belegging, zei de bank mij. Men is bezig met een nieuwe vinding, en als die slaagt zullen de stukjes aardig oplopen, als u mij toestaat!’

‘Hm,’ zei Tom Poes.

‘Hier is de nieuwe vinding,’ sprak heer Bommel terwijl hij vol zelfvertrouwen de kamer betrad waarin de heer Steinhacker de uitslag van de proefnemingen afwachtte.

‘Een wonder van vernuft,’ voegde ingenieur Torgelspitter er aan toe. ‘Een oneindig ingewikkeld mechanisme, samengebald tot de grootte van een vuist.’

‘Mooi, jongens,’ gromde de oliekoning. ‘Laat maar eens kijken. Ik hoop dat het goed zit. En denk er aan: Vóórdat de zaak bekend wordt heb ik recht op een paar aandeeltjes. Dat heb je me beloofd, obb!’

‘Aandelen?’ herhaalde heer Ollie. ‘O, die! Best, hoor! Maar het gaat toch om de insectenbestrijding en niet om de stukjes?’