Voorstel onderzoek naar politionele acties is opportunistisch

Drie Nederlandse instituten willen alsnog een onderzoek beginnen naar de oorlog in Nederlands-Indië. Volgens Lizzy van Leeuwen doen ze dit niet voor de slachtoffers, maar uit lijfsbehoud.

Politionele acties. Nederlandse mariniers tijdens een vuurgevecht, waarbij ze gedekt worden door een natuurlijke verhoging, Indonesi묠1946.; Dutch marines during a fire fight (Indonesian War of Independence) in the Dutch Indies / Indonesia, 1946.

Het bericht dat er dringend behoefte is aan nieuw onderzoek naar het dekolonisatiegeweld in Nederlands-Indië heeft de hoop aangewakkerd dat er toch schoon schip wordt gemaakt met de last van de koloniale oorlog (NRC Handelsblad, 19 juni). Het KITLV, het NIOD en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie willen dat de regering hun de opdracht en dus het geld geeft – 2 tot 3 miljoen euro – om volledig onderzoek te doen, zowel in Nederlandse als in Indonesische archieven. Dit onderzoek moet zich niet richten op morele vragen, maar op de feiten. „We hopen het voor eens en altijd goed aan te pakken”, verkondigde directeur Gert Oostindie van het KITLV.

Dit uitgangspunt herinnert aan eerder gedane pogingen tot ‘volledig’ onderzoek naar de koloniale geweldsperikelen, oftewel de Indische Doofpot. Zulke opdrachten werden doorgaans geformuleerd en verstrekt tegen de achtergrond van politiek of financieel opportunisme. Het leek tenminste nooit de bedoeling dat er consequenties zouden worden getrokken uit het resultaat.

Dit was in 1969 het geval met de Excessennota, vanuit blinde paniek toegezegd door het kabinet, nadat oorlogsveteraan Joop Hueting in een televisie-uitzending had opgeroepen onze Indische oorlogsmisdaden te onderzoeken. Het leek even of Nederland een imperialistische grootmacht was geweest, met een eigen Vietnam. Het kwam er grotendeels op neer dat één ambtenaar, Cees Fasseur, binnen drie maanden een inventarisatie van het geweld moest maken. De nota bleef zonder politieke gevolgen – op de dag van de Kamerbehandeling vonden anti-koloniale rellen plaats op Curaçao.

Ook de officiële Indische oorlogsgeschiedschrijving door Loe de Jong leidde na verschijning, omstreeks 1985, niet tot een politieke vraag om vervolgonderzoek, bijvoorbeeld naar de exacte lotgevallen van de verscheidene groepen oorlogsslachtoffers.

Het zelfde geldt voor het zogenoemde Breed Historisch Onderzoek uit 2002, een na hevige en langdurige druk vanuit Indische groeperingen door de regering aan het NIOD verstrekte onderzoeksopdracht. Deze richtte zich op de beruchte kwestie van de niet uitbetaalde oorlogssalarissen en -pensioenen – de backpay-affaire – en op de niet in kaart gebrachte Indische materiële oorlogsschade, roof en rechtsherstel. De twee in 2005 en 2006 verschenen delen, vol details, toonden hoe zestig jaar postkoloniale administratieve chaos, politieke onwil, bestuurlijke onkunde en pure gierigheid de afwikkeling van de oorlogsschade hadden gefrustreerd. Toch had ook dit onderzoek geen politieke gevolgen, hoewel hiertoe alle aanleiding was. Het leek erop dat het erom ging om onderzoekers het bos in te sturen en dat hun conclusies betekenisloos waren. Het hield de Indische gemeenschap rustig, de Tweede Kamer tevreden en, niet onbelangrijk, onderzoekers aan het werk.

Het is niet verrassend dat, nu de oorlogsgeneratie op sterven na dood is, het onderzoek niet meer moet gaan over recht en onrecht, schuld, straf en schade – thema’s van de oorlogsgeneratie – maar om frisse zaken als praktische oorlogskennis, wreedheidsmeting en ‘harde’ feiten, zogezegd ten behoeve van toekomstige vredesmissies.

Deze verschuiving, van Indische Doofpot naar Indische Lessen Trekken, is in lijn met de in april bekend gemaakte beslissing van het Openbaar Ministerie om Nederlandse militairen niet meer te vervolgen voor oorlogsmisdaden. Nu rechtspleging geen motief meer kan vormen voor de overheid en de vraag om rechtsherstel door getroffenen van de oorlog is verstomd, wordt de dekolonisatieoorlog voer voor historici.

Op zo’n moment komen veel vragen naar boven. Is ‘volledig’ onderzoek naar het geweld in Indonesië in deze chaotische periode wel mogelijk, gezien het feit dat vele bevolkingsgroepen elkaar naar het leven stonden? Wat is het werkelijke belang van Indonesië om te investeren in dit onderzoek? Wat valt er te onderzoeken aan het feit dat er in een oorlog over en weer wreedheden worden begaan?

De belangrijkste vraag is natuurlijk waarom een onderzoek naar de toedracht van de dekolonisatieoorlog niet veel eerder is ondernomen, toen het merendeel van de betrokkenen nog in leven was en antwoord had kunnen geven op al die pijnlijke, feitelijke vragen. De resultaten hadden zeker een andere invulling gegeven aan de wetgeving over oorlogspensioen, opdat ook recht kon worden gedaan aan de slachtoffers van de bloeddorstige Bersiapperiode (1945-1946). Zo’n onderzoek had ten slotte getuigd van reguliere wetenschappelijke belangstelling voor de koloniale oorlogservaringen van de Nederlanders overzee.

Het onderzoeksvoorstel van de drie instituten lijkt vooral ingegeven door krimpende budgetten en bedreigde formatieplaatsen, vanuit opportunisme – in een evaluatierapport van december 2011 is zowel het NIOD als het KITLV erop gewezen dat het gezien de beroerde financiële omstandigheden verstandig is om de eigen broek beter op te houden.

Dat de oorlog in Indië blijft terugkomen en het eind niet in zicht is, zoals de instituten schrijven, komt vooral door de tientallen jaren van vergeefs aandacht vragen door degenen die de oorlog hebben meegemaakt. Nu zij massaal het tijdelijke met het eeuwige verwisselen, is het wrang dat de wetenschap eindelijk zegt de vragen te willen beantwoorden die hun levens hebben getekend.

Lizzy van Leeuwen is zelfstandig onderzoeker en publicist. Zij schreef Lost in Mall, een studie naar politieke verhoudingen in modern Indonesië, en Ons Indisch erfgoed, een studie naar de politieke en culturele geschiedenis van Indische Nederlanders in Nederland.

    • Lizzy van Leeuwen