'Ik zag meteen mijn oude maatje'

John Thorneycroft (1977), manager telecombedrijf, over zijn grote liefde Stephanie.

Twee meter lang is hij, en naar eigen zeggen een ‘kluns’: zijn armen en benen lijken een eigen wil te hebben. Maar zij, zij is de gratie zelve. Vol bewondering volgt hij haar bewegingen.

‘Ik was achttien, net geslaagd voor mijn A-levels aan de Royal Grammar School in Worcester en besloot om een gap year in Nederland door te brengen, het geboorteland van mijn moeder. Als kleuter had ik er een paar jaar gewoond, maar daar wist ik niet veel meer van. Ik vond een goed betaalde baan als magazijnjongen bij een Brits telecombedrijf. Er hoorde een auto bij, en een flat in Amsterdam. Ik werkte zo’n negentig uur per week en voelde me heel volwassen.

„Na een paar maanden wees mijn moeder me er op dat ik mijn jeugdvriendinnetje nog niet had opgezocht, Stephanie. Toen wij allebei vier waren, woonde ze met haar ouders aan hetzelfde Alkmaarse pleintje als wij en waren we onafscheidelijk. Onze ouders waren altijd bevriend gebleven, maar Stephanie en ik waren uit elkaar gegroeid. Ik had niet veel zin in een bezoek, maar maakte toch een afspraak. Stephanie had de Vrije School gedaan en zat nu in haar eindexamenjaar.

„Op een zaterdagochtend reed ik erheen. Ik had net Metallica en Iron Maiden ontdekt en kleedde me helemaal in het zwart – een soort inhaalslag na jaren van Britse schooluniformen, denk ik. Stephanie deed open, en ik zag meteen mijn oude maatje terug; dat mooie gezicht. Ze had baggy kleren aan, een dikke wollen trui en een nietszeggende broek die haar lichaam verhulden.

„We kletsten de hele dag, totdat haar moeder weer thuiskwam. Twee weken later kwam Stephanie bij me langs in Amsterdam. De derde afspraak was bij haar grootmoeder, die zich mij ook nog kon herinneren van veertien jaar eerder. Op ons vierde afspraakje hield ik het niet meer. ‘I have to say that I love you’, zei ik tegen haar bij de tramhalte. ‘Dat weet ik’, antwoordde ze, en voegde verlegen toe dat ze mijn gevoelens deelde. Een maand later hebben we voor het eerst gezoend.

„Ik ging economie studeren in Cambridge, dus de drie jaar daarop woonden we ver uit elkaar. Ik was een romanticus – ik hield van de boeken van Jane Austen, Elizabeth Bennett uit Pride and Prejudice was jaren mijn ideale vrouw. Het was nog net vóór mobiele telefoons en hotmail-accounts, dus schreef ik Stephanie brieven. Elke dag eentje. Over wat ik die dag had gedaan, en dat ik nog steeds van haar hield. Na mijn afstuderen verhuisde ik naar Leiden, waar Stephanie inmiddels studeerde. Nu zijn we getrouwd en wonen we in Londen.

„Stephanies moeder vond het meteen geweldig dat we elkaar weer gevonden hadden, maar mijn moeder was geschokt: haar beeld van Stephanie was nog dat van een klein meisje. Toen ze haar terugzag, was ze gerust.

„Het feit dat wij zo vroeg voor elkaar hebben gekozen is ook beangstigend. In de tijd rond ons huwelijk hebben we het daar wel over gehad. Wie, welke anderen laten we niet allemaal schieten? Trouwen is een definitief besluit, er is geen weg terug. Om daar vrede mee te hebben, kun je het beter omdraaien: wij missen misschien de opwinding van het telkens opnieuw beginnen, maar break-ups en liefdesverdriet blijven ons ook bespaard. Dus dat is 1-0 voor ons.

„De geboorte van ons zoontje was de bezegeling van onze geloften. Kasper is nu acht maanden oud, en Stephanie en ik zijn alletwee dolverliefd op hem. Van mij leert hij Engels, van Stephanie Nederlands. We hopen dat hij tweetalig wordt, net als wij.

’s Avonds is hij te laat terug uit de City om zijn zoon nog te kunnen zien, maar ’s ochtends hebben ze een vast uurtje samen: wakker worden, luier verschonen, ontbijten. Stephanie slaapt dan nog even door. Zij doet de nachten.