En de binnenstad bloedt ook al leeg

Winkels verdwijnen in hoog tempo uit de binnensteden, onder druk van internetshoppen en bezuinigende consumenten. Er dreigt een kaalslag, en daling van de welvaart. Om de variëteit te behouden moeten de prijzen van ouderwetse winkels drastisch omlaag, bepleiten Steven Brakman en Arjen van Witteloostuijn.

Europa, Nederland, Almere, 17-08-2009 Amere stad. Het stadscentrum . Foto: Evelyne Jacq Evelyne Jacq

Wat staat onze Nederlandse stadscentra te wachten? Een voorbode zou het bijna-faillissement van de boekhandelketen Selexyz kunnen zijn.

Van oudsher zijn steden een centrale marktplaats en een ontmoetingscentrum. Vraag en aanbod ontmoeten elkaar, cultureel, economisch en sociaal. De concentratie van massa en variatie in steden biedt zowel de verkoper of aanbieder als de koper of vrager grote voordelen. Verkopers vinden in steden een afzetgebied, kopers kunnen kiezen uit een breed marktaanbod. Ook als ontmoetingsplaats bieden steden bij uitstek de mogelijkheid om ideeën, kennis en ervaringen op te doen en uit te wisselen. Deze functies vormen de bestaansgrond voor steden.

De stad als marktplaats met veel variëteit staat echter onder toenemende druk in het Nederland van de 21ste eeuw. De recente versnelling in internetontwikkelingen in combinatie met de langdurige periode van economische stagnatie zorgt voor een afkalving van het traditionele stadscentrum, met gevolgen voor de leefbaarheid van veel van die oude steden.

Nog maar één of twee decennia geleden werden de stadscentra gekenmerkt door een grote diversiteit aan kleinere en grotere winkels met een specifiek aanbod – een gespecialiseerde parapluwinkel, een gereedschapswinkel met elk denkbaar schroefje, een muziekwinkel met alleen jazz. De kleine winkel kon naast de grote keten bestaan, mede omdat de winkelier ook de eigenaar was van het winkelpand. De waardestijging ervan leverde een grote bijdrage aan het rendement van de zaak en – niet onbelangrijk – aan het toekomstige pensioen van de eigenaar. Ook hoefden geen exorbitante huurbedragen te worden opgebracht. Dit type zaak is voor een belangrijk deel verdwenen uit de binnensteden en is vervangen door filialen van de grote winkelketens. Alle hoofdwinkelstraten lijken op elkaar – met een ketting van filialen van Blokker, HEMA en H&M. De zijstraatjes met gespecialiseerde zaakjes bloeden langzaam dood, met toenemende leegstand. De ervaring met de boekhandelketen Selexyz wijst op een volgende golf van veranderingen in de binnenstad: ook de hoofdstraat met die bekende ketenfilialen staat onder toenemende druk.

De invloed van internetbedrijven als Bol.com wordt, na een wat aarzelend begin met een lange aanlooptijd en een klein marktaandeel, nadrukkelijk voelbaar. Zelfs ooit sterke ketens die dreven op bezoek in de winkel, worden links en rechts gepasseerd door internetwinkels. Die kunnen veel goedkoper leveren omdat ze geen dure winkellocaties nodig hebben. Ze hebben ook niet perse goed opgeleid en bevlogen personeel nodig met wie de klant een zinvol gesprek kan hebben. En dat geldt niet alleen voor boeken.

Vrijwel alles kan via het internet worden aangeschaft, van cd’s en dvd’s tot badkleding en kampeertenten. Veel informatie over specifieke producten is makkelijk via het internet op te zoeken, en is niet zelden van hogere kwaliteit dan in de winkels wordt gegeven. Opvallend is dat ook de luxere schoenen- of tassenmerken inmiddels via het internet zijn gaan leveren. Dit leek tot voor kort een taboe in winkelland omdat het aan deze merken gekoppelde fun shoppen als essentieel voor overleven werd beschouwd. Maar ook hier zijn de ontwikkelingen blijkbaar onstuitbaar. De ketens reageren door óf zelf actief te worden op het internet óf door wat meer de goedkope periferie van de steden op te zoeken. Het effect is hetzelfde: een verdere verschraling van het winkelaanbod in de stadscentra. Selexyz is voorlopig gered, maar de toekomst blijft zorgelijk. Het lijkt hooguit weer even goed te gaan, totdat het weer – en dan definitief – misgaat.

Als tegenkrachten uitblijven staat binnensteden een grote verandering te wachten. Winkels komen onder druk te staan en ruimen het veld, gaan op in ketens die succesvol zijn op het internet en via apps, of verhuizen naar de stadsperiferie. Het uiterlijk van de binnenstad zal hierdoor veranderen.

De binnensteden zullen zich noodgedwongen meer gaan concentreren op de functie van ontmoetingsplaats, met Grand Cafés en andere locaties waar wordt gestudeerd en vergaderd, waar intensief gebruik wordt gemaakt van het internet, en waar overdag koffie en ’s avonds wijn wordt gedronken. Dergelijke ontmoetingsplekken gaan domineren in de oude binnensteden, die daardoor eenvormiger worden. Een select gezelschap van steden ontsnapt aan deze ontwikkeling – althans: voorlopig. Vooral oude universiteitssteden zoals Amsterdam, Groningen en Maastricht. Door de grote lokale markt en de specifieke bevolkingsopbouw kunnen ze een divers winkelaanbod in stand houden. Andere steden, zoals Almere, Delfzijl en Heerlen, kunnen zich veel moeilijker aan deze ontwikkeling onttrekken.

De vraag is natuurlijk: is het erg dat dit gebeurt? Misschien is die traditionele diversiteit in het winkelaanbod wel ouderwets. Die speciaalzaken verdwijnen immers niet voor niks. Waar vraag ontbreekt, verdwijnt vanzelf het aanbod. Uiteindelijk zijn wij het – als potentiële en echte koopklanten – die wegblijven. Het is de omgekeerde wet van Say. De Franse econoom Jean-Baptiste Say heeft in de 19de eeuw de stelling geponeerd dat elk aanbod zijn eigen vraag creëert. Daarmee heeft hij de plank grotendeels misgeslagen: het is vooral de afwezigheid van vraag die aanbod vernietigt. Dat had de Britse econoom John Maynard Keynes in de 20ste eeuw goed begrepen op het niveau van de macro-economie. In de 21ste eeuw krijgt Keynes ook gelijk op het microniveau van binnensteden. Moet deze economische wet, die door de Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter creatieve destructie is genoemd, niet gewoon zijn natuurlijke beloop hebben? We vragen hier immers zelf om, met ons niet-koopgedrag in die oude binnensteden?

Niet alle destructie is creatief – helaas. Diversiteit als zodanig is onderdeel van de welvaart. Rondlopen in een stadscentrum met een divers aanbod is een genoegen op zichzelf. Het verdwijnen hiervan tast de welvaart aan. De grote (lokale) centra vangen dit verlies aan diversiteit gedeeltelijk op: vanuit Delfzijl is Groningen heel dichtbij, vanuit Almere Amsterdam, en vanuit Heerlen Maastricht. Tegenover het verlies aan variatie in de binnensteden staat dat het besteedbaar inkomen toeneemt: internet maakt het leven goedkoper, en hierdoor houden wij met z’n allen geld over voor een dagje Amsterdam, Groningen of Maastricht – zeker als ooit de economie weer aantrekt. Voor ketens als Selexyz, die nog steeds voor een groot deel afhankelijk zijn van de fysieke ontmoeting tussen koper en verkoper, is dat een schrale troost. Datzelfde geldt voor de lange rij speciaalzaken die noodgedwongen het hoofd in de schoot (hebben) moeten leggen.

De vraag is echter wat de prijs is die gemeenschappen hiervoor betalen. Creatieve destructie is een collectief goed dat ontstaat door het opgetelde gedrag van heel veel individuen die ondanks hun eigen koopdesertie het verlies aan aantrekkelijke binnensteden betreuren. Door de opkomst van internetwinkelen en de economische malaise voltrekt deze neergang zich in verhoogd tempo. Een binnenstad met alleen maar Grand Cafés, vergaderlocaties, en filialen van HEMA, Zeeman en H&M, verliest veel van zijn aantrekkingskracht. En elk weekeinde in de auto naar Amsterdam, Groningen of Maastricht heeft ook grote nadelen.

Als het gemis aan aantrekkelijke binnensteden met een gevarieerd winkelaanbod uiteindelijk en per saldo het gewin van besteedbaar inkomen overtreft, is collectief ingrijpen noodzakelijk. Zo gaat dat bij alle collectieve goederen. Waarom zou dat hier anders zijn? En de ingreep is kinderlijk eenvoudig: de huur- en koopprijzen voor ouderwetse winkels in de oude binnensteden moeten drastisch omlaag. Met lagere prijzen voor het vastgoed kunnen ook de prijzen voor dat gevarieerde productenaanbod weer omlaag. En ook dat is een oude economische wet: bij lagere prijzen gaat de vraag omhoog. Wie weet, komen de klanten dan ook weer naar die leuke winkels in de binnensteden. En wie weet, wordt de beweging in de richting van niet-creatieve destructie in de Nederlandse binnensteden dan gekeerd.

Steven Brakman is hoogleraar economie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Arjen van Witteloostuijn is hoogleraar economie en management aan de universiteiten van Antwerpen, Tilburg en Utrecht.