Elly Blanksma en het brede Nederlandse gezagsvacuüm

Helmond. CDA-Kamerlid Elly Blanksma had de geheime ambitie er burgemeester te worden. Dat vuur brandde zo heftig in haar gemoed dat zij er niks over zei toen zij drie weken geleden solliciteerde naar haar huidige baan, noch toen zij vorige week werd gebeld dat zij op de eervolle vierde plaats van de kandidatenlijst stond.

Blanksma is ,,geen partij in de boosheid van de partij’’, liet zij desgevraagd weten toen zij de hoge benoeming op zak had. Zij had geen idee waarom de partijtop zich genomen voelde. Dat is het meest onthullende van dit  dramaatje.  Zij liet zich hoog op de kandidatenlijst voor de Tweede Kamer lijst zetten bij wijze van terugvalbaantje. Voor als Helmond niet lukte.

De CDA-fractie is haar financiële woordvoerder kwijt, en had de andere – gepromoveerd econometrist Pieter Omtzigt (38) – in het kader van de verjonging niet meer op de lijst gezet. Hij is van plan met steun van de afdelingen alsnog op de lijst te komen, om daarna via voorkeursstemmen alsnog in de Kamer terug te komen. Knokken voor z’n eigen zetel. Zoals het hoort.

De opgefriste CDA-lijst had toch al een dubieus trekje: geen van de huidige CDA-bewindslieden staat er op. Gedeballoteerd wegens samenwerking met de PVV? Of neus opgehaald voor het parlementaire werk? In beide gevallen niet goed voor het aanzien van het parlement. In het eerste geval met een zweem van geschiedontkenning. In het tweede een teken dat het Kamerlidmaatschap te vaak een opstapje is naar iets mooiers.

Iedereen heeft recht op z’n eigen parcours in het leven. Het Kamerlidmaatschap is een vorm van topsport, je moet alles voor iedereen zijn, de pijn voelen van de zwakkeren, de kracht steunen van de sterken, veel weten over bijna alles, er in mensentaal over praten, opboksen tegen ambtenaren en het lobbylegioen, prettig samenwerken en concurreren. Je moet soldaat en veldheer tegelijk zijn.

Elly Blanksma zal het beamen. Maar wat zij kennelijk niet beseft is dat het gaat om een uniek en hoog ambt omdat je het uitoefent namens allen. Het is niet jouw baantje. Je krijgt netjes betaald voor je tijd, je trein en je thee, maar je doet het als uitverkoren burger. Je kunt niet zeggen dat je dat ambt wilt voortzetten in deze tijd van crisis terwijl je eigenlijk droomt van die deftige kamer aan het Frans Joseph van Thielpark in Helmond.

Het had alles te maken met een bericht deze week in Trouw: Nederlandse scholieren doen het in een internationale vergelijking slecht als het gaat om kennis van wat democratie en burgerschap inhouden. Zij missen de bijbehorende vaardigheden. Het meten tussen culturen is altijd een hachelijke onderneming. Bij rekenvaardigheid levert dat ook ieders gelijk op, maar toch, als je bijna onderaan zo’n lijst staat is er wel iets aan de hand.

Zo verrassend is het niet. In landen als Frankrijk en de Verenigde Staten is de vlag iets om allerminst lacherig over te doen. Daar komen scholieren van heinde en verre naar de hoofdstad om de halfheilige hallen van de democratie in het echt te zien. Op lagere scholen worden al opstelletjes geschreven over het presidentschap, de Grondwet en de volkssoevereiniteit waar de Cito-toets en de meeste werkstukjes in groep 8 niet aan kunnen tippen.

Nederland heeft een andere geschiedenis, iedereen altijd eigenwijs geweest, nooit echt van harte een eenheidsstaat, republiek met een erfelijk staatshoofd. En een gemankeerde verhouding tussen de overheid en de burger. Toen de zuilen er nog waren deed de top van de staat zaken met de toppen van de zuilen. Toen de zuilen in de jaren ’60 oplosten en de autoriteiten meeveerden met het rot-op-discours van de straat en de studenten, bleef een gezagsvacuüm over dat nog steeds doorwerkt. Bert van Marwijk weet er alles van. De zzp’ers Robben en Huntelaar wensen niet te worden ‘aangestuurd’ door de bondscoach.

Autoriteiten zonder gezag. Je ziet ze overal. Politiemensen krijgen rond de jaarwisseling kleine bermbommen naar hun hoofd. Handhaving van de wet wordt in alledaagse situaties amper gepikt, en daarom met een taxatie op eigen overlevingskansen toegemeten. Zie de conducteur in de avondtrein. De docent in de probleemklas. De ambulancebroeder op het kruispunt.

Hierover gaat het deze week verschenen boek Gezagdragers
 - De publieke zaak op zoek naar haar verdedigers, een bundel bedachtzame praktijk- en theorie-opstellen onder redactie van Thijs Jansen, Gabriël van den Brink en René Kneyber. Het gezag van de rechter, de reclasseringswerker, de leerplichtambtenaar, de gezinsvoogd, nergens is het vanzelfsprekend. Terwijl hun bevoegdheden formeel wel macht geven om in te grijpen, om te zeggen wat mag en wat niet mag.

De auteurs zoeken naar een weg terug voor noodzakelijke gezagsuitoefening. Zij hebben het niet over de belastingdienst, die steeds verder gaat met ‘horizontaal toezicht’, gebaseerd op vertrouwen. Het klinkt mooi, maar het is een bezuinigingsmaatregel, en komt voort uit die basiszwakte van het Nederlandse bestel: ik heb niks te maken met jouw gezag.

 

Kinderen die niet weten wat regels en wat verzoeken zijn. Kamerleden die geen helder idee hebben van de aard van hun ambt, die meepraten met een overheid die burgers als klanten aanspreekt. We lopen er een beetje mee vast. En dat is niet de schuld van de Grieken en de Spanjaarden.

Wij hebben publieke taken tot managementprobleem verklaard.  Depolitisering is het grootste misverstand van de Nederlandse politiek. De SER straks geleid door de voorman van McKinsey?   Best, maar gezag volgt op heldere politieke keuzes en bijbehorend draagvlak.

    • Marc Chavannes