Eerste melkvee in een nog groene Sahara

Runderen op een rotstekening in Teshuinat, een schuilplaats van prehistorische herders in het zuidwesten van Libië. Foto Nature

Zo’n zevenduizend jaar geleden gingen Noord-Afrikanen voor het eerst vee houden speciaal voor de melk. Dat schrijft een internationaal gezelschap van acht archeologen en chemici deze week in Nature. Zij maken dit op uit een analyse van voedselresten in prehistorisch aardewerk.

Het is nu moeilijk voorstelbaar, maar zo’n vijfduizend jaar voor Christus was de Sahara een groene savanne, die werd doorkruist door nomadische veehouders. Terwijl zich in het Midden-Oosten de neolithische revolutie voltrok en jagers en verzamelaars overgingen op landbouw, ging de bevolking van Noord-Afrika zich toeleggen op het houden van koeien, schapen en geiten. Daar kwam de landbouw pas later op als dominante bestaanswijze.

Op prehistorische rotstekeningen in de Sahara, zoals die hiernaast, wemelt het dan ook van de runderen. Die werden aanvankelijk vooral gehouden voor het vlees. Toch leggen rotskunstenaars soms een extra accent op volle uiers en een heel enkele keer zien we een afbeelding van een koe die wordt gemolken. Het valt alleen niet mee om die tekeningen betrouwbaar te dateren. Bovendien zijn er te weinig prehistorische koeienbotten gevonden zo goed zijn geconserveerd dat uit DNA kan worden vastgesteld hoe kuddes waren opgebouwd en of er werd gefokt op melkproductie.

Om te bepalen wanneer melkveehouderij zich heeft verspreid in het Nabije Oosten en Europa is al eerder gebruik gemaakt van de chemische analyse van voedselresten. Maar dit was nog niet eerder gedaan voor Noord-Afrika. Gelukkig begon de vervaardiging van aardewerk daar al aan het begin van het Holoceen, zo’n 11.000 jaar geleden. De wanden en bodems van aardewerken potten absorberen resten van het voedsel dat er ooit in werd bewaard en geven zo een indruk van het dieet van de gebruikers.

Tijdens vier veldwerkperioden in Fezzan, het woestijngebied in het zuidwesten van Libië, verzamelden de onderzoekers aardewerkscherven in de Takarkori-grot. Zij vonden sporen van nomadische herders uit de periode van 8100 tot 2600 v.C.. Op 81 potscherven uit deze periode vonden ze met isotopenonderzoek hoge concentraties dierlijke vetten. In de resten uit de periode 5200-3800 v.C., toen de nomadische veehouderij zijn hoogtepunt beleefde, was de helft van die vetten afkomstig van melk(producten) en de rest van koeien-, schapen- en geitenvlees en van wild.

    • Dirk Vlasblom