De YOLO-filosofie

schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: hier en nu.

De hertenkandelaars van de Kerst staan pas een paar weken weer in de balkonkast, mijn fles zonnebrandcrème is nog lang niet leeg en ik moet nog naar het tuincentrum om mijn doodgevroren olijfboompjes te vervangen. Maar de dagen zijn al weer aan het korten. Over twee maanden zit de vorst weer aan de grond.

Je hoort het oude mensen altijd zeggen en nu zeg ik het zelf ook: waar blijft de tijd? Je knippert één keer met je ogen en je pre-vakantiestress heeft al weer plaatsgemaakt voor post-vakantiestress.

Het ene moment pieker je je suf over hoe je straks op Schiphol de marechaussee gaat overtuigen dat je heus de moeder van je dochters bent. (Zij dragen namelijk de achternaam van mijn ex, en ik las dat ze dit jaar scherp gaan controleren op kinderen die reizen met één ouder met een andere achternaam. Om drie uur ’s nachts ben ik bereid alles te bekennen, ook ontvoering.) Het volgende moment sta je alweer ’s ochtends slaapdronken boterhammen te smeren en te bidden dat de regen die tegen de ruiten slaat het treinverkeer niet ontregelt. En ergens tussen die twee momenten moet het dan gebeuren: Het Grote Ontspannen en Opladen.

Dat moet anders kunnen. Daarom verdiep ik mij nu in de YOLO-filosofie. Dat is een vrij jonge leer die vooral veel aanhangers heeft onder pubers. Het gaat over leven in het hier en nu, over stoppen met denken en beginnen met ervaren. Mijn bijna 16-jarige dochter legt deze You Only Live Once-leer overigens net iets anders uit. Volgens haar is het de kunst van het ‘schijt hebben aan alles’. Ze geeft een voorbeeld: „Een sletje zegt bijvoorbeeld ‘YOLO’ als ze net seks heeft gehad met een jongen die ze amper kent.” Maar ook dat komt neer op: luisteren naar je gevoel, zonder je daar slecht over te voelen.

Een kans om de YOLO-theorie in praktijk te brengen, diende zich afgelopen week aan: ik zat wat te somberen over de dagen die dus weer korter worden, toen ik per sms een onverwachte uitnodiging kreeg. Ik besloot een snipperdag te nemen, pakte de trein naar Noord-Holland en daar klom ik achterop de brommer van een vrouw van mijn leeftijd. Een helm hoefden we niet op, want we gingen niet harder dan 30 kilometer per uur. Zo tuften we naar een boerenerf waar Erill (een IJslandse naam) klaarstond om afgeknuffeld te worden. Daarna maakten we met dit sterke en harige type een wandeling door de duinen en toen we rozig terugkeerden op de boerderij dronken we koffie uit plastic bekertjes en aten we eierkoeken. Dat hoort zo na het paardrijden. „Dat is geen paard”, zei mijn huidige verkering toen hij op mijn telefoon de foto’s zag. „Dat is een grote hond.” Maar aan zijn woorden had ik maling (‘schijt’, zou mijn dochter zeggen).

Als iedereen nou gewoon eens van tijd tot tijd een dag uit zijn agenda scheurt en op een grote hond gaat zitten, dan zou de alarmcentrale van de ANWB het in de zomervakantie veel minder druk hebben. Want wist u dat? Dat elke zomer weer Nederlanders gerepatrieerd moeten worden omdat ze op reis zijn bezweken aan stress?

Mij gaat dat niet meer gebeuren. Ik ga zometeen niet mijn administratie doen, maar op de bank liggen – met een boek van de stapel die klaarligt voor de vakantie. Het duurt nog een half jaar voordat de dagen weer gaan lengen, maar daar denk ik nu niet aan. Ik ga lezen. YOLO.