De bron van het eeuwige lezen

Winnie-the-Pooh, de femme fatale, het Bauhaus. Europa is meer dan een populistisch pispaaltje of een bodemloze put. In een serie over de cultuur die het continent bindt: Ovidius’ Metamorphoses.

In het hart van Oekraïne, driehonderd kilometer ten zuidwesten van een plaats die voetballiefhebbers zich niet wensen te herinneren, ligt Park Sofijivka. De uitgestrekte landschapstuin, die rond 1800 werd aangelegd door een Poolse tycoon voor zijn Griekse vrouw (Sofia), pronkt met meer dan drieduizend plantesoorten en meer dan vijfhonderd verschillende bomen. Maar nog meer tot de verbeelding spreken de zogeheten folly’s, schilderachtige constructies in klassieke stijl: de Bron van Diana, de Grot van Scylla, het Kretenzische Labyrint en niet te vergeten de Ionische Zee. Er is zelfs een pad waarlangs je net als de mythische lyricus Orpheus afdaalt naar de onderwereld.

De inspiratie voor deze 19de-eeuwse Efteling – en voor onder meer de tuinen van de Villa d’Este in Tivoli en het verdwenen Tudorpaleis van Nonsuch in Surrey – kwam van de Metamorphoses, de mythologische verhalen die de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso in het jaar 8 na Christus voltooide. De schijnbaar losjes geschakelde ‘gedaanteverwisselingen’ van goden en helden, van het begin der tijden tot de vergoddelijking van Julius Caesar, gelden als de invloedrijkste fictie na de Bijbel en de epen van Homeros. Niet alleen tuinarchitecten maakten er mooie sier mee, ook schilders, beeldhouwers, filmers, musici en schrijvers.

Om met die laatsten te beginnen: Shakespeare leende het verhaal van de tragische geliefden Pyramus en Thisbe voor zowel Romeo and Juliet als A Midsummer Night’s Dream. Dante modelleerde zijn Divina Commedia naar de Metamorphoses en gaf Ovidius een cameorol in zijn ‘Inferno’. Kafka schreef misschien wel de origineelste moderne variatie met Die Verwandlung. Christoph Ransmayr (Die letzte Welt, 1988), Ted Hughes (Tales from Ovid, 1997) en David Mitchell (Cloud Atlas, 2004) haalden Ovidius door de metamorfose, en de Amerikaan Lou Reed zorgde met zijn klassieke glamrockalbum Transformer (let op de titel!) voor een popversie van Ovidius’ meesterwerk. Starring een man die een vrouw wordt (in Walk On The Wild Side), een ikfiguur die zich herinnert dat hij ‘hoorns en vinnen’ had, een man die aan zijn vriendin vraagt of zij zijn wagenwiel wil zijn en een zwaargewonde kunstenaar die zich in een delirium voorstelt hoe hij zelf verandert in een vleermuis en een vlieger en hoe twee van zijn kennissen zich transformeren tot fantasiescheppingen. Actaeon (die als straf voor voyeurisme door Diana werd veranderd in een hert en door zijn eigen honden verscheurd), Narcissus (die uit liefde voor zijn spiegelbeeld wegkwijnde aan de waterkant en veranderde in een bloem) en Proteus (de meester van de transformatie) zijn er niets bij vergeleken.

Eigenlijk is de hele westerse kunstgeschiedenis ondenkbaar, en in elk geval een stuk saaier, zonder Ovidius. Het beroemde beeld van Gian Lorenzo Bernini, van de god Apollo die de nimf Daphne probeert te verkrachten terwijl ze – op haar eigen dringende verzoek – al aan het veranderen is in een laurierboom, komt rechtstreeks uit boek 1 van de Metamorphoses. Hoe vaak is de ontvoering van de Fenicische prinses Europa door Jupiter in de gedaante van een stier (boek 2) niet verbeeld op vazen, friezen en schilderijen? Welke grote kunstenaar heeft weerstand kunnen bieden aan het verhaal van Pygmalion, die verliefd werd op zijn eigen schepping , of Daedalus en Icarus, die gevleugeld ontsnapten aan het doolhof van Knossos? Om maar niet te spreken van de componisten: Gluck liet zich bij zijn Orfeo ed Euridice (1762) leiden door het ‘ovidianisme’, net als Richard Strauss bij Daphne (1938) en Branford Marsalis bij zijn jazz-album Metamorphosen (2008).

Ovidius moest eens weten. Toen hij na een succesrijke carrière als dichter van licht-satirische liefdespoëzie om onopgehelderde redenen door keizer Augustus verbannen werd naar Tomis (het tegenwoordige Constanta aan de Zwarte Zee), vreesde hij de vergetelheid. Maar met dichten stopte hij niet. Voor zijn dood publiceerde hij nog de gedichten uit ballingschap Tristia en Brieven uit het Zwarte-zeegebied, een inspiratiebron voor moderne dichters als Joseph Brodsky en Aleksandr Poesjkin. En doordat zijn werk in de Middeleeuwen even populair was als de Bijbel, kon hij uitgroeien tot de meest gelezen Latijnse dichter, vertaald door grote collega’s als Vondel (Herscheppinghe) en John Dryden (1717). In het standaardwerk The Classical Tradition, over het Nachleben van de antieke cultuur, telt zijn lemma dertien volle kolommen. Vergilius moet het met driekwart daarvan doen en Homeros met de helft. Alleen de wetenschapspionier Aristoteles komt tot hetzelfde aantal.

Ovidius overleed in 17 na Christus, op zestigjarige leeftijd in Tomis. Hij zou zijn begraven op een eilandje bij een plaatsje in de buurt dat te zijner ere in 1930 werd omgedoopt tot Ovidiu. Een grafschrift noteerde hij zelf, in boek 3 van de Tristia. In de vertaling van D. den Hengst werd dat:

Ik, Naso, die hier rust, die speelse dichter van de liefde,

ben door mijn eigen dichttalent ten val gebracht.

Reiziger, wees zo goed, indien u ooit bemind hebt,

te zeggen: ‘Beenderen van Ovidius, rust zacht!’

Zijn graf is nooit teruggevonden, wat sommige geleerden ertoe verleid heeft te suggereren dat Ovidius nooit écht werd verbannen en dat zijn ballingschapspoëzie een superieure verkenning van een vruchtbaar genre was. Per slot van rekening hoefde de dichter zelf ook geen boom, dier of monster te worden om ongeëvenaard over gedaantewisselingen te schrijven.

Pieter Steinz

    • Pieter Steinz