Als puber leefde ik bij de dag, dat mis ik wel

Als het over pubers gaat, verschijnt professor Eveline Crone (1975) in beeld. Ze is psycholoog en doet onderzoek naar de hersenen van pubers. Deze maand verscheen haar nieuwe boek Het sociale brein van pubers. „Ik sta aan de kant van de puber.”

Puberen

„Puber is een geuzennaam geworden. Veel volwassenen zeggen graag van zichzelf: ik ben nog een puber! Dan ben je opstandig, rebels, tegendraads. Als ik er op lezingen naar vraag, gaan er altijd wel een paar handen omhoog.

„De werkelijke puberteit is anders. De allermeeste jongeren gaan rustig door puberteit en adolescentie. Slechts vijf procent heeft écht problemen. Vaak kinderen die het daarvoor ook al moeilijk hadden. En die bepalen kennelijk de reputatie van de puberteit.

„Typisch pubergedrag begint bij 12 à 14 jaar. Ze worden brutaler, emotioneler, gaan dingen uitproberen om te zien hoe erop wordt gereageerd. Zo leren ze wat wij volwassenen kunnen: gestructureerd denken en het afremmen van wensen op de korte termijn om iets anders te bereiken op een langere termijn.

„Maar in dat proces gaat ook iets verloren: het out of the box- denken, de impulsiviteit, het gevoel dat je nog alle kanten op kunt. Misschien willen de volwassenen die zich puber noemen dat gevoel behouden.”

Puber Eveline

„Ik dacht er totaal niet over na, toen ik zelf een puber was. Niet over waarheen mijn leven ging, of over wie ik nou echt wás? Ik leefde bij de dag. Dat vermogen mis ik nu wel.

„Ik denk alleen na over mijn eigen puberteit omdat journalisten er altijd naar vragen. En dan zie ik wel dat ik een standaardpuber was. Helaas. Ik was liever uniek geweest. Ik zat toen ook alleen op mijn kamer, maar ik was nergens extreem in. Ik droeg hooguit kleren waarvan ik nu denk: néééé. Ik had ook een idealistische fase en toen dacht ik: ik zal nooit iemand worden die nóóit brieven schrijft voor Amnesty! Maar kijk, nu maak ook ik alleen maar die 50 euro per jaar over.”

Alleen

„Slechts een deel van de pubers heeft dat rebelse. Maar álle pubers zijn vooral op zichzelf gericht; om zichzelf te ontdekken. Daarom willen ze alleen op hun kamer zitten. Pas daarna komen de idealen. Amnesty en politieke dingen. Je kunt die eerste fase egocentrisch noemen, maar het kan niet anders. Pubers moeten hun identiteit ontwikkelen.

„Zelfconcept, zelfreflectie, zelfbeeld – dat egocentrisme heeft allerlei vormen. En naar al die verschillende fenomenen zijn de laatste jaren veel hersenonderzoeken gedaan; welke gebieden worden dan bij adolescenten actief?

„Toen ik al die onderzoeken bij elkaar legde, zag ik ineens: ze vinden allemaal hetzelfde. Alles dat te maken heeft met zelfconcept, zit in de prefrontale cortex. Dat hersendeel is een van de laatste die ‘af’ is bij een puber. Voor mij was het echt een eurekamoment. Niet voor niks dus, dat die pubers zich zo vaak afzonderen.

„Daarom kon ik mijn nieuwe boek, over het sociale brein van de puber, nu pas schrijven. Vijf jaar geleden wisten we nog bijna niks van het sociale puberbrein. En juist over dat sociale leven van de adolescent krijg ik op lezingen de meeste vragen. ‘Waarom zit mijn dochter niet meer op de bank, maar altijd boven te chatten?’”

Groepsdwang

„Als je die pubermeisjes ziet lopen, ze lijken allemaal op elkaar! De jongens ook. Allemaal stereotypen. Pubers willen uniek zijn maar ze hebben een nog grotere drang om op elkaar te lijken. Vooral meisjes denken dat iedereen voortdurend naar ze kijkt, rond hun vijftiende. Ze willen popster zijn, maar ze durven niet. Eén grote tweestrijd.

„Die groepsdwang veroorzaken we ook zelf door alle pubers tien jaar lang elke dag bij elkaar te zetten. Dankzij de leerplicht. Welke volwassene gaat zo intensief om met gelijken die continu aangeven of je er wel of niet bij hoort?”

Vrienden

„De hele adolescentie door spiegel je je aan je vrienden. Je probeert dingen uit en kijkt of die geaccepteerd worden door je vrienden. Als je jonger bent heb je vooral vrienden om mee te spelen. Maar een 15-jarige heeft vriendschappen omdat het fijn is om iemand te kunnen vertrouwen, een vriend om geheimen mee te delen. Een tienjarige hééft nog niet eens persoonlijke geheimen.

„In de puberteit krijg je eerst aparte jongens- en meisjesvriendengroepen, die zich tegen elkaar afzetten. Aan het eind van de puberteit komen dan de gemengde vriendschappen. Om een beetje aan elkaar te ruiken en uit te proberen. Dat gaat nog helemaal niet om seksueel contact, maar om het andere geslacht te leren kennen.”

Buitengesloten

„Er is veel onderzoek naar buitengesloten kinderen. Uit hersenonderzoek weten we dat sociale uitsluiting dezelfde hersengebieden activeert als fysieke pijn. Vreselijk. Één vriend maakt al heel veel verschil.

„Volstrekt genegeerd worden is bijna onhoudbaar. Veel zware buikpijn en hoofdpijn krijg je dan, maar de artsen vinden niks. En depressies en angsten. Dan kun je beter gepest worden, dan is er tenminste nog interactie. Buitensluiting is dat voortdurend tegen een kind wordt gezegd: ‘Jij mag hier niet zitten, ga weg.’ Waarom gebeurt dat? Ik weet het niet. Het is perverse machtsuitoefening.

„En het wordt vaak normaal gevonden. Ik beschrijf in mijn boek een jongetje uit mijn eigen klas dat werd buitengesloten, Nu denk ik: verschrikkelijk! Maar toen was dat gewoon zo, zo ging dat. Vrij pijnlijk achteraf. In de adolescentie gebeuren veel dingen die niet leuk zijn, maar dat hoort erbij. Zo leer je dingen. Maar uitsluiting hoort daar niet bij. Goede antipestprogramma’s zijn daarom heel belangrijk.

„Bij volwassenen leidt uitsluiting ook tot activering van pijngebieden in de hersenen, maar daar worden ook hogere corticale gebieden actief waar het vermogen zit tot relativering. Dat beschermt tegen het effect van uitsluiting.”

Irrationeel

„Pas in 1999 werd ontdekt dat de hersenen van adolescenten nog enorm in beweging zijn. De algemene gedachte was toen nog: de hersenen zijn na het twaalfde jaar af en stabiel. Veel irrationeel gedrag van pubers werd ineens veel begrijpelijker, doordat de frontale cortex pas vrij laat in de adolescentie rijp bleek te worden. Wij ontdekten daarna dat tijdens risicogedrag bij pubers de hersenactiviteit niet anders is dan bij kinderen of volwassenen die risico’s nemen. Maar als pubers vervolgens de beloning krijgen voor het risicogedrag, dan reageren hun hersenen wél anders: met veel meer activiteit in de pleziergebieden dan kinderen en volwassenen.”

Dick Swaab

„We moeten de invloed van hersenwetenschap niet overdrijven. Wat weten we nu? We kennen een paar patronen van hersenactiviteit die samenhangen met bepaalde gedragingen. Een eilandje in een enorme zee van hersenactiviteit waarvan we verder niks begrijpen. In het mooie boek van Dick Swaab, Wij zijn ons brein, is de stelling: alles wordt al in het brein vastgelegd aan het begin van het leven, in de baarmoeder. Of je homo wordt of niet, welke psychische ziekte je krijgt. Ik ben toen met hem in debat gegaan. Want er is ook een belangrijke invloed van de omgeving op het brein. Ja, zegt Swaab dan, maar dat is marginaal. Ik zeg: laat het vijf procent zijn, maar dat is dan misschien precies wat ons mensen uniek maakt.”

Invloed

„Hersenen zijn niet de waarheid. Als ik iets vind dat niet overeenstemt met het gedrag, ga ik er zeker nog twee jaar over nadenken. Maar toch, met dat kleine beetje kennis van puberhersenen zijn we toch op een andere manier naar jongeren gaan kijken. Vroeger was de houding tegenover de puberteit vrij negatief. ‘Die pubers moeten beter luisteren’, ‘negeer die hormonen, doe normaal’. Nu is veel meer begrip voor de unieke aspecten van die levensperiode, van deze transformatiefase.

„Een vervelend bijeffect van die acceptatie is dat het zo wordt overdréven! Ouders die verwachtingsvol aan elkaar vragen: ‘Ben jij al uitgescholden?’ Alsof je naar een dierentuin zit te kijken. Journalisten die nu al aan mij vragen hoe ik zal omgaan met mijn kind, als zij gaat puberen. Ze is vier! Ik heb geen idee. Dat zien we dan wel.”

Advies

„Daar doe ik niet aan. Ik krijg wel vragen, als de één of andere puber wat doms heeft gedaan. Maar ik zal nooit zeggen hoe ouders het moeten oplossen. Hooguit leg ik uit waarom het goed is als pubers experimenteren en nieuwe ervaringen opdoen. Mijn bekende riedeltje, dus. Ik sta wel aan de kant van de puber.

„Dat geldt ook voor beleidsadviezen. Neem comazuipen. Alcohol heeft een groter effect heeft op het brein van pubers dan op dat van volwassenen. Puberteit is een overgevoelige fase voor alcohol; jongeren die veel drinken, hebben later meer moeite met planning en met nadenken. Maar moet daarom de leeftijdsgrens van 16 naar 18? Dat weet ik niet. Het is óók niet slecht om wat ruimte te geven voor experimenteren, als het niet te gek wordt. Comazuipen treft maar een heel klein percentage. Er zijn oudere neurowetenschappers die overal hun mening over geven. Ik niet, ik twijfel te vaak. En gelukkig is twijfel ook heel wetenschappelijk.”

Eveline Crone, Het sociale brein van de puber (Bert Bakker, € 19).

    • Ringel Goslinga
    • Hendrik Spiering