5 misverstanden over zonnebrillen

Waar moet je op letten als je een zonnebril koopt? Oogspecialisten geven advies.

Zonnebrillentrend 1 kleur- en materiaalcontrast tussen montuur en pootjes (Mannenbril van Oliver Peoples, 340 euro, oliverpeoples.com)

Zonnebrillen gaan zelden lang mee. Ze worden afgerukt door een onverwacht woeste golf in de branding, ze blijven liggen in het opbergvakje van een huurauto of ze worden geplet door een reisgenoot die erop gaat zitten. Of een model raakt uit de mode. Heeft het dan zin om te investeren in een zonnebril van een paar honderd euro? Is een zonnebril pure luxe, of heeft deze vorm van oogbescherming daadwerkelijk (medisch) nut?

Lastige vragen. Verkoopmedewerkers in de winkel of zonnebrillenfabrikanten geven geen onafhankelijk advies. Die zijn er vooral bij gebaat dat we met het duurste model naar huis gaan. En wetenschappelijk onderzoek biedt ook niet veel houvast. In de medische vakbladen is niet zo veel te vinden over het nut van zonnebrillen, en in de artikelen die er zijn, spreken deskundigen elkaar ook nog eens tegen. Hoe – met het oog op de aanschaf van een zonnebril – de zin van onzin te scheiden? Hieronder vijf misverstanden:

1

Bij zonnig weer is het dragen van een zonnebril altijd noodzakelijk.

Niet waar, zegt de Amerikaanse oogspecialist David Sliney, die na een carrière als onderzoeker in het Amerikaanse leger nu optreedt als zelfstandig adviseur. Volgens hem kunnen zonnebrillen zelfs averechts werken als oogbescherming. Wie door donkere glazen kijkt, opent zijn oogleden verder en ook de pupillen worden wijder. Dat maakt de ogen gevoeliger voor gereflecteerde straling die vanaf de zijkanten of van onderaf, achter de bril, in het oog kan schijnen. Een goede zonnebril moet daarom niet alleen goede uv-lenzen hebben, zegt Sliney, maar ook een goed aansluitend montuur dat inval van licht langs het glas verhindert.

Oogfysicus Tom van den Berg van het Nederlands Instituut voor Neurowetenschappen in Amsterdam relativeert dat gevaar overigens. Het menselijk oog filtert zelf het meeste uv-licht er al uit, zegt hij. „Wat het netvlies bereikt, is niet meer dan een procent tot een promille van de invallende straling.”

Ook van oogarts Tjeerd de Faber van het Oogziekenhuis in Rotterdam hoef je niet altijd bij zonnig weer een zonnebril op. „Alleen bij felle zon, in de sneeuw en op het water is een zonnebril noodzakelijk”, zegt hij. „Staar, een ooglens die troebel wordt, komt meer voor bij mensen die in de tropen of de bergen wonen en bij vissers, die veel op het open water zijn. Maar in de stad is de intensiteit van uv-straling veel minder. Van mij hoeft u echt niet met een donkere gletsjerbril over de Lijnbaan te lopen.”

Het risico op zogeheten sneeuwblindheid (schade aan het hoornvlies door felle zon) is in de praktijk niet heel groot, zo blijkt uit een Amerikaans onderzoek onder ruim 23.000 deelnemers aan outdoorcursussen. Tijdens het bergbeklimmen of kanoën trad bij slechts 15 mensen sneeuwblindheid op. Dertien van hen waren zonder zonnebril op pad gegaan en de andere twee gevallen traden op bij mensen die geen zijklepjes aan hun bril hadden.

Hoewel sneeuwblindheid zeldzaam is, en de klachten met een paar dagen vanzelf weer overgaan, kan het toch gevaarlijk zijn, want je krijgt zo’n stekende pijn aan je ogen dat je niet meer zonder hulp je weg kunt vervolgen. De Inuit, het volk van jagers uit het hoge noorden, wisten trouwens al voordat zij met de moderne beschaving in aanraking kwamen hoe zij sneeuwblindheid moesten tegengaan. Zij maakten maskers van been of perkament met een dun spleetje erin, die dienden als sneeuwbrillen.

2

Het is overdreven om een kind een zonnebril op te zetten

Integendeel. Kinderogen zijn veel gevoeliger voor zonlicht, zegt oogarts De Faber. Hun pupillen zijn relatief wijder en hun ooglenzen minder geel, waardoor meer schadelijke straling het netvlies kan bereiken. „Vaak zie je pa en ma op het strand liggen zonnen met een zonnebril, maar worden de kleine kinderen vergeten.”

Ook volgens Van den Berg zijn kinderogen gevoeliger voor licht, maar er worden volgens hem ook „veel broodjes aap” over verspreid. „Er is geen sterk bewijs dat het leidt tot netvliesveroudering. Probleem is dat de literatuur vervuild is door commerciële belangen”, zegt Faber. „De natuur heeft ons zo geschapen, en ik geloof dat het zo prima is. Is het prudent om kinderen zonnebrillen te laten dragen? Jawel, baat het niet dan schaadt het niet.”

3

Met een zonnebril op kun je beter zien

Dat is een hardnekkig misverstand, zegt Van den Berg. „Zonnebrillen verlagen de hoeveelheid licht die het netvlies bereikt met maximaal twintig procent. Daardoor hebben mensen minder last van de schitteringen. Maar objectief verslechtert het zicht alleen maar.” Hoe donkerder het is, hoe slechter je ziet.

Wel is het zo dat mensen met een lichtere iriskleur eerder naar een zonnebril zullen grijpen. „Bruine irissen werken als een soort overgordijnen”, zegt De Faber. „Mensen met lichte irissen hebben alleen glasgordijnen hangen.” „Zij zullen daarom graag een zonnebril opzetten”, voegt Van den Berg toe, maar dat wil niet zeggen dat ze dan ook beter zien.

4

Een duurdere zonnebril is een betere zonnebril

Het maakt volgens De Faber niet uit waar je een zonnebril koopt; bij de drogist, de opticien of een luxe warenhuis. „Er hoeft niets mis te zijn met een goedkoop model, je betaalt voor het merk en de styling.” De meeste zonnebrillen die in Nederland verkocht worden, filteren het uv-licht volgens hem uitstekend. „Je moet er alleen op letten dat er ‘400 nm’ op staat (de mate van ultraviolette straling die uit het licht wordt gefilterd, red.) of de vermelding ‘100 procent uv-protection’.”

5

Een zonnebril uitkiezen is complex

Wie een bril wil volgens de laatste trend, moet de modebladen bijhouden. Maar wie alleen op zoek is naar geschikte oogbescherming hoeft het zichzelf niet moeilijk te maken (zie misverstand 4). Aan wat voor glazen iemand de voorkeur geeft, is een kwestie van persoonlijk voorkeur. De kleur van het glas heeft in ieder geval geen invloed op de mate van bescherming of hoe goed je met een bril ziet. „Hoe geler hoe meer contrast”, zegt De Faber, „maar dat geeft geen wezenlijk verschil voor het zicht.” Ook tussen glas en kunststof zit – uit het oogpunt van oogbescherming – geen verschil. Kunststof is lichter dan glas, maar ook krasgevoeliger. Gepolariseerde glazen geven minder schitteringen, en dat kan volgens De Faber comfortabel zijn. Zijn advies is simpel: kies gewoon wat je prettig vindt.

    • Sander Voormolen