Wat goed is voor Wall Street, is goed voor New York

In 1975 was New York bijna bankroet. Maar vooral dank zij de groei van de financiële instellingen kwam de stad er weer bovenop. ‘New York deint op een zelfgeschapen golf.’

Greg David: Modern New York. The Life and Economics of a City. Palgrave MacMillan, 248 blz. € 28,-

De economische crisis van 2008 was in New York van korte duur en de stad ervoer die als een milde recessie. De werkgelegenheid liep terug met 140.000 banen, ongeveer 3,5 procent van de werkgelegenheid, en na 15 maanden was de stad er weer bovenop. Hoewel New York en met name Wall Street het epicentrum van de crisis was, heeft de rest van de Verenigde Staten en de wereld er aanzienlijk zwaarder onder geleden dan de stad zelf. Voor de VS leidde de crisis van 2008 tot de grootste recessie van na de oorlog en die duurde officieel 27 maanden.

De bakken met geld die als noodhulp naar New York gingen – 197 miljard dollar – hielpen bij het snelle herstel, maar de stad heeft ook een economie die anders is dan de rest van de VS, zo stelt Greg David in zijn helder geschreven Modern New York. Zo heeft New York bijvoorbeeld nauwelijks of geen industriële productie meer. Slechts 2 procent van de banen zijn in de maaksector waar goederen worden geproduceerd. Het toerisme daarentegen is een groeisector en de ongeveer 50 miljoen bezoekers per jaar blijven maar komen. Daarnaast is de stad rijk aan hogere opleidingen en aan zorginstellingen in alle soorten en maten, toevallig de twee sectoren die het minst last hebben van economische cycli.

In een goed onderbouwd verhaal over New York sinds 1945 vertelt David hoe de stad mee deint op een zelfgeschapen golfslag, die sterk beïnvloed wordt door Wall Street. In de jaren zestig namen de handelsvolumes op de beurs toe, in de jaren tachtig waren het de obligaties en de corporate raiders, in de jaren negentig de dotcoms en in de jaren nul de hypotheken.

Nieuwe producten geven dynamiek – en vaak ook tragiek. De ernstigste crisis van het moderne New York was het bijna-failliet van 1975, toen de stad, te laat, merkte wat het gevolg was van een gestage exodus van bedrijven en bewoners en een duur stedelijk overheidsapparaat dat te zeer was uitgedijd. Bijna per ongeluk herstelde de economie zich daar weer van.

Immigranten

Terwijl voortdurend werd geklaagd dat de maakindustrie de stad verliet en dat die ontwikkeling New York naar de verdommenis zou helpen, kwam een toestroom van immigranten en toeristen op gang. De immigranten waren bereid de laagbetaalde banen te nemen, onder meer in de toeristenindustrie. Die sector werd een factor van belang, zeker toen omstreeks 1990 de misdaadbestrijding serieus werd aangepakt. Minder misdaad lokte niet alleen meer toeristen naar de stad, ook mochten meer jongeren van hun ouders in New York studeren.

New York is natuurlijk bekend om Wall Street en voor de economie van de stad is dit de slagader. Als het slecht gaat op de beurzen, dan merkt de stad dat. De beurskrach van 1987 betekende rampspoed voor New York, maar was nationaal niet meer dan een economische rimpeling. Elke baan in de New Yorkse financiële wereld houdt nog twee banen in stand en 9 procent van alle inkomsten van de stad komen uit de financiële sector.

De bonussen lopen daar elk jaar in de miljarden dollars en hoezeer ze ook worden bekritiseerd, ze nemen niet af. Volgens David is er geen redelijke verklaring te vinden voor het feit dat Lloyd Blankfein van Goldman Sachs in 2010 met negen keer zoveel salaris naar huis ging als John Gutfreund van Salomon Brothers na een topjaar vijfentwintig jaar eerder.

Volgens David is de invloed van de gekozen burgemeesters groot. Ze hebben niet over alles iets te zeggen, maar ze hebben veel invloed op de koers die de stad vaart. John Lindsay bijvoorbeeld introduceerde in de jaren zestig loonbelasting voor New Yorkers en nog steeds is New York de enige Amerikaanse stad die zoiets int. Per jaar levert het de stad miljarden dollars op. Invloedrijk voor de bloei van de stad waren volgens David achtereenvolgens Ed Koch in de jaren tachtig, Rudy Giuliani in de jaren negentig en Michael Bloomberg in deze eeuw. Wat hun verdiensten verder ook waren, ze blijken allemaal na hun aantreden financieel rigoureus orde op zaken te hebben gesteld.

Schuld

In zijn slothoofdstuk ‘The End of the New York Era?’ maakt David de balans op, waarbij hij zich concentreert op de vraag of alles wel goed zal gaan na het vertrek van de huidige burgemeester Bloomberg in 2014. Die heeft de stad in elk geval opgezadeld met een schuld die bijna twee keer zo groot is als toen hij aantrad, namelijk 105 miljard dollar in plaats van 55 miljard, en pensioenverplichtingen die van 1 naar 8 miljard dollar per jaar zijn gestegen. Ook hij nam het uiteindelijk niet meer zo nauw met de begrotingsdiscipline. En alweer is er een sanerende burgemeester nodig.

Ondanks de gewichtige titel van het laatste hoofdstuk lijkt de vraag of New York wel mee blijft tellen als internationaal financieel centrum geen punt van discussie, althans niet in New York. Wel denkt Davis dat de financiële instellingen minder bewegingsvrijheid krijgen en dus minder winst zullen maken en dus minder aan belastingen zullen afdragen aan de stad. Die combinatie van grotere financiële verplichtingen en lagere inkomsten belooft weinig goeds voor de toekomst, tenzij ze op Wall Street snel weer iets nieuws bedenken.